Laurens Meerten en Henk Stegink

Laurens Meerten en Henk Stegink van de Huurdersvereniging Amsterdam
Op de bres voor de huurder

Sinds drie jaar maakt de Huurdersvereniging Amsterdam officieel deel uit van het Amsterdams Volkshuisvestingsoverleg. Waar huurdersverenigingen het vroeger uitsluitend hadden over ‘bouwen voor de buurt’ en ‘betaalbare woningen’, heeft de horizon zich verbreed. De HA onderschrijft het pleidooi om meer voor middeninkomens te bouwen en gaf haar zegen aan de verkoop van een kleine dertigduizend corporatiewoningen. Een gesprek met de eerste voorzitters.

 

Reactie op dit artikel en tegenreactie op het forum:

Verkoop huurwoningen
Reactie
van Harry Rijpkema en Daphna Brekveld, Bewonersvereniging Diamantbuurt

Benadruk wat huurders bindt en niet wat scheidt
Tegenreactie
van Laurens Meerten en Henk Stegink.

Vijf jaar? Vier jaar? Laurens Meerten en Henk Stegink kunnen het niet direct eens worden over de bestaansduur van de Huurdersvereniging Amsterdam, kortweg HA. “In 1998 was de oprichtingsvergadering”, hakt Stegink de knoop door.
Zeker is dat sinds januari 2000 de HA de belangen van Amsterdamse huurders op gemeentelijk niveau behartigt in het Amsterdams Volkshuisvestingsoverleg (AVO). In dit hoofdstedelijk polderoverleg proberen de institutionele partijen in de Amsterdamse woonsector elkaar te vinden in convenanten en beleidsovereenkomsten. De HA vertegenwoordigt dan al een bont geheel van organisaties: van huurders van particuliere huurwoningen, van corporatiewoningen (de ‘koepels’), en van bewonersplatforms. Inmiddels spreekt ze ook namens huurdersorganisaties op stadsdeelniveau.
Voordat de HA aanschoof bij het AVO was het Amsterdams Steunpunt Wonen (ASW) de zaakwaarnemer van de huurders. Stegink: “De gemeente had voordat de Huurdersvereniging bestond geen andere keus, omdat huurders niet stedelijk waren georganiseerd.”
Maar de huurdersorganisaties waren kennelijk ook niet tevreden met die belangenbehartiging?
Meerten: “Dat had in de eerste plaats te maken met de inbreng van huurders bij de totstandkoming van beleidsovereenkomsten. Het kwam voor dat het ASW zich al aan besluiten had gecommitteerd voordat ze waren voorgelegd aan de achterban. Dat was niet zo netjes. Een ander punt was dat het ASW weinig initiatieven nam. Meepraten betekent niet dat je wacht tot er iemand een nota uitdeelt en vraagt of er nog opmerkingen zijn.”
“Maar het ASW heeft zich na die ommezwaai wel heel correct opgesteld”, laat Stegink er onmiddellijk op volgen: “Ze hebben meteen gezegd dat het volstrekt logisch is dat huurders zelf de belangenbehartiging doen.” Meerten: “Ze hebben ons vanaf dat moment uitstekend geholpen en gefaciliteerd. Uiteindelijk is het een goede relatie geworden.“

Gestaalde kaders

Vanaf de oprichting waren Laurens Meerten en Henk Stegink duovoorzitter van de HA. Beiden hebben een lange historie in huurdersorganisaties. De typering ‘gepokt en gemazeld’ dringt zich als vanzelf op. Stegink leidde begin jaren negentig succesvolle huurverlagingcampagnes in de Hoofddorppleinbuurt. “Die aanpak was een voorloper van de huidige huurteams. Een beter woonlasteninitiatief kun je nog altijd niet vinden. Van iedere gulden die je erin stopt, komt het vier- tot vijfvoudige terug als huurverlaging. Geen enkel woonlastenfonds komt boven de één op één.”
Sinds een jaar of tien werkt hij bij de Woonbond, de landelijke huurdersorganisatie. Vanwege gezinsuitbreiding deed hij een stapje terug bij de HA en is hij nu voorzitter af.
Ook Meerten komt voort uit de gestaalde kaders. Hij beheerde van 1974 tot 1983 voor de CPN de portefeuille Volkshuisvesting in de gemeenteraad - begonnen met Lammers en geëindigd met Schaeffer. Hij was initiatiefnemer van de grote huurverlagingsactie in de Bijlmermeer – de ‘100 gulden’-actie. Inmiddels is hij coördinator in een wijk met veel ontwikkelingsplannen bij de gemeente Lelystad. Terwijl Stegink vooral actief was in de particuliere markt, ligt het verleden van Meerten in het georganiseerde overleg met woningcorporaties. Die zijn sinds begin jaren negentig immers verplicht op regelmatige basis overleg te voeren met huurders. De vele huurdersverenigingen in de sector komen per corporatie bij elkaar in het zogeheten koepeloverleg.
Of Meerten in Lelystad nu zelf te maken heeft met lastige huurders? “Ik heb te maken met kritische bewoners en huurders, ik vind ze niet lastig. Dat zal je niet verbazen, gezien mijn achtergrond.“

Blank, man en
boven de 40: een huurdervertegen-woordiger!

De HA heeft enkele betaalde bureaumedewerkers, maar verder draait ze net als andere huurdersorganisaties op vrijwilligers. Stegink en Meerten willen na enig aandringen wel toegeven dat het werk hen zo’n vijftien uur per week kost. Meerten: “In de oprichtingsperiode was dat veel meer. Door mijn andere werk is dat niet meer mogelijk. Ik moet nu als coördinator vaak al twee avonden per week naar vergaderingen. Stegink op zijn beurt is scholingsmedewerker bij de Woonbond en daardoor ook veel ’s avonds op pad: “Dat is aan de ene kant vervelend, maar het geeft me overdag bewegingsvrijheid.”
Het duovoorzitterschap is ze uitstekend bevallen, hoewel ze elkaar nauwelijks kenden voordat de HA bestond. Meerten: “Dat is goed gegaan. We hebben in het bestuur een goede mix en bovendien een goed ondersteuningsapparaat via het ASW.”
Maar lukt het in deze tijd nog wel om voldoende vrijwilligers te vinden?
Stegink: “Je bent nooit klaar met het werven van kader. Maar je ziet toch dat huurdersorganisaties de laatste tien jaar flink zijn gegroeid.” Meerten: “Ik zie een verandering van traditionele naar gebiedsgebonden organisaties, bijvoorbeeld op stadsdeelniveau. Dat heeft te maken met zaken in de directe woonomgeving, die spelen een grotere rol. Daar zit soms iedereen bij, ook eigenaar/bewoners. Zelfs op complexniveau wonen eigenaar/bewoners en huurders door elkaar heen. De kunst is dat zo te organiseren dat die groepen samen optrekken.”
Maar hoe heeft een HA-bestuurder nog enigszins het gevoel dat de vereniging dé huurders van Amsterdam representeert?
Stegink: ”Wij checken dat op de ledenvergaderingen van onze organisaties. En wij nodigen onze leden uit standpunten met hun achterban op te nemen.”
Het blijft vrijwilligerswerk en dat trekt – lijkt het wel - een bepaald type mensen. De archetypische huurdervertegenwoordiger is blank, man en boven de veertig. “Niet echt een afspiegeling van de Amsterdamse bevolking”, geeft Stegink toe. “Dat is voor alle huurdersorganisaties een probleem. Allochtonen bereiken we bijvoorbeeld heel slecht. We investeren daar als Huurdersvereniging wel in, bijvoorbeeld met het project ‘Wijksteunpunten Wonen’. Daarin hebben we op stedelijk niveau samenwerking gezocht met ASW en de Federatie Steunpunten Minderheden. Het bereiken van allochtonen is een kunst apart. Waar we trots op zijn is dat er inmiddels een migrantenplatform in de Westelijke Tuinsteden is. De blijvende betrokkenheid moet nog blijken, maar als je als huurdersorganisatie in een gekleurde stad als Amsterdam wilt overleven, moet je zorgen dat je zelf gekleurd bent.”
Onder bijvoorbeeld Turken of Marokkanen is het nog moeilijker om vrouwen te benaderen. Ook daar zijn initiatieven voor. Maar, weet Stegink: “Dat is een proces van jaren. Ik beloof niet dat we dat als Huurdersvereniging wel even regelen.”

Muurvast

Waar huurdersverenigingen het vroeger uitsluitend hadden over ‘bouwen voor de buurt’ en ‘betaalbare woningen’, lijkt de horizon zich te verbreden. Het pleidooi om meer voor middeninkomens te bouwen, wordt volmondig onderschreven en ook de geplande verkoop van een kleine dertigduizend corporatiewoningen dit decennium heeft de zegen van de HA.
“De focus is nadrukkelijk verbreed. Ik moet toegeven dat het wel uit nood is geboren. Die discussie over de kernvoorraad (de goedkope huurwoningen, redactie) zat in het AVO muurvast. Elke keer als je daar een opmerking over maakte, citeerde Gerard Anderiesen, die toen voorzitter van de Federatie was, drie kantjes cijfers om aan te tonen dat er eerder te veel dan te weinig goedkope huurwoningen waren. Wij hebben toen gezegd: het gaat er niet om of ze er zijn, maar hoeveel er beschikbaar zijn. Laten we ons niet meer richten op aantallen woningen, maar op het gegeven hoe snel je voor verschillende groepen een passende woning vindt. We wilden twee dingen: dat voor iedereen de slaagkans – want zo is dat gaan heten – verbetert. En dat de slaagkans voor verschillende groepen niet uiteen zou gaan lopen. We wilden voorkomen dat je met veel geld voorrang in de stad kon kopen. Deze benadering impliceerde dat we ons niet alleen meer sterk maakten voor de kernvoorraad, maar ook voor andere groepen in een kwetsbare positie, zoals nu de middengroepen”, aldus Stegink.
Meerten: “Wij hebben de meeste elementen van die slaagkansenbenadering aangedragen. De andere partijen waren aangenaam verrast dat we ons met dat soort zaken wilden bezighouden. De SWD heeft vervolgens een belangrijke rol gespeeld om het allemaal uit te rekenen.”
De slaagkansenmonitor is nu dé barometer van de woningmarkt, maar meldt helaas louter depressies. Stegink: “Dat krijg je nu bij elk project voor je kiezen. Elke groep woningzoekenden kan met recht en reden zeggen dat ze te weinig kansen heeft. Dat levert spanningen op. En niets menselijks is bewoners vreemd. Ze organiseren zich op hun eigen specifieke belangen. Het resultaat van de hele exercitie is dus nul.”

Verouderingsaftrek

Vrijwel de hele sociale huursector is per corporatie georganiseerd in huurderskoepels. Corporaties zijn verplicht zo’n koepel te faciliteren. Sinds enkele jaren is er ook de ‘overlegwet’. Daarin is vastgelegd welke zaken corporaties minimaal moeten voorleggen aan huurders. Formeel hebben koepels alleen adviesrecht. “De verhuurder mag daar van afwijken, als hij dat maar motiveert. Als de verhuurder echt zijn gang wil gaan, kan dat. In de praktijk zal een verstandige verhuurder niet zomaar een advies van zijn huurdersorganisatie aan de kant schuiven”, zegt Stegink. “Maar juist het afgelopen jaar zijn de koepels wel eens boos geworden op een aantal Amsterdamse sociale verhuurders. Ze wijzigden heel eenzijdig de afspraken over huurverhogingen bij nieuwe verhuur.”
Daarmee zitten we midden in de discussie over de ‘huurharmonisatie’, onderdeel van een beleidsovereenkomst tussen corporaties, gemeente en stadsdelen. Corporaties mochten volgens die afspraak de huur na leegkomst hoogstens tot 90 procent van het maximum optrekken. Maar regelmatig wordt met een beroep op de liquiditeit het maximum gerealiseerd.
De corporaties vinden overigens dat hun huidige mutatiebeleid binnen de afspraken past. Maar volgens Stegink en Meerten denken alle andere partijen daar anders over. Meerten: “Ik heb er bij gezeten. Toen is gezegd: 90 procent is de grens, alleen voor extreme en met name genoemde gevallen mocht een uitzondering gemaakt.”
Stegink, aanvullend: “Het vervelende is dat die maximale huurgrens zo in beweging is. De verouderingsaftrek wordt namelijk in drie jaar tijd afgeschaft, waardoor oudere woningen een hogere puntenwaardering krijgen, en dus een hogere maximale huur. Maar toen we die afspraken maakten gingen we nog uit van de oude maximale huur.”
Waarmee een volgend geschilpunt tussen corporaties en HA zich aftekent.

Vloeken in de kerk

Verkoop van goedkope huurwoningen was tot voor kort vloeken in de kerk bij huurdersorganisaties, maar de HA heeft meegewerkt aan het Tweede Convenant Verkoop. Daarbij stemde ze in met de verkoop van 28.600 corporatiewoningen in de periode tot 2010. Hoe verliep de discussie met de achterban?
Stegink: “Je kunt je voorstellen dat er daar allerlei geluiden te horen waren. Maar dat neemt niet weg dat we na een aantal pittige discussies hebben gezegd: die kant moet het op.”
“Bepaalde delen van de achterban blijven fundamenteel tegen. Maar je moet je altijd afvragen of wat je wilt ook reëel is”, vult Meerten aan. “Die verkoopplannen stoelden op Haagse regelgeving. Dat was domweg een gegeven. Het zou dus ook zonder onze inbreng gebeuren. Dan kun je beter meedenken, initiatief nemen en zoveel mogelijk randvoorwaarden creëren. Stegink: “Maar dat was niet het enige. Er zat een filosofie achter. Als je verkoop in de particuliere sector tegenhoudt, weet je zeker dat woningverbetering in die sector stagneert. Verkoop is bijna de enige manier om middelen te genereren. In de sociale huursector zit nog een redelijke zak met geld, maar daar loop je hetzelfde risico. Ook corporaties kunnen het geld maar één keer uitgeven. De stedelijke vernieuwing kost een hoop geld. Bovendien is de vraag naar koopwoningen of grotere woningen niet vanzelf minder belangrijk dan de vraag naar goedkope huurwoningen. Je moet erkennen dat die verschillende behoeften er zijn, die spanning is er gewoon.”

Leegstand

Maar met de uitvoering van de verkoop is de HA uiterst ongelukkig. Stegink: “Wat wij constateren is dat leeggekomen huurwoningen veel te lang leeg staan voor ze verkocht worden. Sommige woningen staan al meer dan een jaar leeg! Wij willen dat corporaties leegkomende woningen direct melden bij de Dienst Wonen, net als vroeger. Ik kan me best voorstellen dat een corporatie tijd nodig heeft om een woning eerst op te knappen, maar als de woning na pakweg een half jaar nog niet verkocht is, moet je toch vaststellen dat de markt er niet om vraagt of dat de prijs te hoog is. Dat moet die woning weer in de verhuur. Maar volgens mij zijn er corporaties die er geen last van hebben. Blijkbaar heeft het ook te maken met de manier waarop je het verkoopproces organiseert. En verder kunnen corporaties wel wat creatiever worden met verkoopconstructies. Amsterdamse corporaties maken daar nog maar weinig gebruik van.”
Stegink constateert dat ook in de particuliere sector huurwoningen maandenlang te koop staan: “Met de splitsinggolf die er aan zit te komen, zal dat nog erger worden. Het is toch te gek voor woorden als we accepteren dat er duizenden woningen leeg staan omdat ze verkocht moeten worden!”
En daarmee zijn de thema’s van eind jaren zeventig weer terug op de agenda.

Bas Donker van Heel
en Fred van der Molen