‘Waar bemoeiden we ons eigenlijk mee?’

afbeelding van Stephan Steinmetz
Stephan Steinmetz
26.06.18
De Kepplerianen contra de De Mirandianen
‘Waar bemoeiden we ons eigenlijk mee?’

Betrokkenheid of betutteling, onder deze titel vond in 2005 een klein maar fijn congres plaats in het Vakbondsmuseum in Amsterdam. Huurdersverenigingen, welzijnsorganisaties en woningbouwverenigingen vroegen zich ter plekke af of corporaties bewoners mógen, of misschien zelfs wel moeten... helpen bij het vinden van een baan, begeleiden naar een taalcursus, selecteren op leefstijl, iets doen aan dreigende vereenzaming, kwetsbare groepen met voorrang een eigen huis geven. Op tafel lag kortom de vraag: waar ligt de bemoeigrens van de sociale verhuurder?

Nog steeds is die vraag actueel: is een woningbouwvereniging meer dan een bouwer en verhuurder van extra goedkope woningen, bestemd voor mensen met een smalle beurs?
Zodra je neigt naar ja, al is het maar een beetje, dan beland je in een honderd jaar oude discussie. Een discussie tussen Keppler en De Miranda.
Dit dispuut werd een kleine honderd jaar geleden namelijk gevoerd door Monne de Miranda, de wethouder, en Arie Keppler, de directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. Twee zware jongens van de sociaal-democratie in Amsterdam en de volkshuisvesting in het algemeen. Deze discussie kwam tot een ontploffing naar aanleiding van Asterdorp, de woonwijk voor asocialen die de gemeente in 1927 in Amsterdam Noord bouwde. Want precies hier, midden in Asterdorp, moesten de heren al hun kaarten op tafel leggen.

Arie Keppler bepleitte met kracht de heropvoeding van achteroplopende arbeiders tot modelburgers: ‘het vormen van nette gezinnen, het maken van geregelde betalers, het vormen van rustige, kalme bewoners’, – zo noemde hij dat – en hij liet de woninginspectrices hierop toezien. Inspectrices die ook maatschappelijk werker waren, die híélpen, sterker nog: zij belichaamden toen de éénloketgedachte. Hulp en bijstand, van steunverlening tot ziekenzorg, van giften van kerk en koningin tot ingrijpen door de zedenpolitie: alles passeerde de sluis van de almachtige woninginspectrice. Alle sociale interventies liepen via de woninginspectrice. Je kunt met terugwerkende kracht stellen dat in die tijd de volkshuisvesting het sociale domein was. Wie woonde in een sociale huurwoning was daarmee doelwit van sociale verheffing, in de ogen van Keppler: sociale heropvoeding tot nette burger. Keppler was afkomstig uit zo’n milieu van nette burgers, zijn ouders hoorden bij de hogere middenklasse.

Daartegenover stond Monne de Miranda, kind van de armoe, zoon van een werkloze diamantbewerker.  Ook De Miranda streefde verheffing na maar hij wilde de verheffing begrenzen tot materiële zaken: er moest een gelijk speelveld komen voor arbeiders en middenklasse en daar was geld van de overheid voor nodig. De overheid moest met subsidies zorgen dat de woning betaalbaar werd, net als het vlees, de vis en de wasserette. Mensen die het op eigen kracht niet aankonden, dienden zorg en steun van de overheid te krijgen. Maar dat moest je in zijn ogen niet vermengen met sociale woningbouw, dat kon net zo goed in de private sector.
Ze stonden lijnrecht tegenover elkaar: Keppler en De Miranda. Het is nu nauwelijks meer voor te stellen maar de ruzies tussen Keppler en De Miranda moesten vaak in de gemeenteraad worden beslecht. Mag een woninginspectrice een gemeentewoning binnentreden zonder toestemming van de bewoner? Ja, zei Keppler, zij moest immers kunnen controleren of er netjes werd gewoond en zonodig corrigerend optreden. Nee, zei De Miranda, de werkman en zijn gezin hebben recht op privacy. De gemeenteraad besliste dat het College van Burgemeester en Wethouders specifiek en per geval toestemming zou moeten geven.

In 1928 wilde het toeval, of misschien moet ik zeggen het ongeluk, dat de woninginspectrice die Keppler aannam om in Asterdorp de losgeslagen arbeiders te heropvoeden, de 20-jarige Flora de Miranda was, oudste dochter van de wethouder, vernoemd naar Floor Wibaut, die andere sociaal democratische zwaargewicht, tevens  upperclass raskapitalist. Flora had meer gemeen met haar vader dan met haar baas, zo bleek al snel. Zij vertikte het om de bewoners als ondergeschikten te behandelen en waarschuwde ze voor onverwachtse inspecties. Toen Keppler dat hoorde vloog ze de laan uit.  Wat de verstandhouding tussen directeur en wethouder er niet beter op maakte.
Toen niet veel later De Miranda de heropvoeding in Asterdorp wilde stoppen, moest hij bakzeil halen. Keppler verzamelde steun van alle sleutelfigurenuit die tijd: de hoogleraar criminologie, de voorzitter van de vereniging van Woningopzichteressen, de directeur van de beroepsopleiding voor Maatschappelijk Werk, dames uit de gemeenteraad die de goedertierenheid aanhingen, zij allen te zamen wezen De Miranda terecht: het had wel degelijk nut om extra zorg te verlenen aan de zwakke gezinnen die werden toevertrouwd aan het stelsel van sociale woningbouw. De Miranda bracht hier nog tegenin dat je overal gezinnen met problemen had, dat er teveel betekenis werd gehecht aan de rol van de corporatie, dat verlening van steun en zorg niet tot de taken van een corporatie hoorden, maar zijn stem deed er niet meer toe. ‘Wel doen’ won het van ‘niet doen’, de drang om de verheffing immaterieel in te vullen won het van de louter materiële invulling, de poging de eigen inzet te beperken tot de kern legde het af tegen de ambitie om méér te willen betekenen.  Net als in het begin van deze eeuw, tijdens de bijeenkomst in het Vakbondsmuseum,  namen de Kepplerianen het voortouw in handen: het woord ‘sociaal’ in sociale huisvesting werd voorzien van een bredere lading. De Mirandianen verloren.

Benieuwd naar de manier waarop een van de hoofdrolspelers uit deze vertelling  terugkeek op die tijd, belde ik in de lente van 1983 op het Olympiaplein aan bij mevrouw Schuil-Rodrigues De Miranda. Een dame op leeftijd deed open en openhartig haalde zij  herinneringen op aan haar tijd als opzichteresse op Asterdorp. ‘Waar ik me altijd voor geneerde’, zei Flora de Miranda op het eind van het gesprek, ‘was dat je zo diep in iemand privé-leven ging graven. Vreselijk, waar bemoeiden we ons eigenlijk mee.’ Ik kon niet anders dan instemmend knikken.
 

Stephan Steinmetz is de auteur van 'Asterdorp, een Amsterdamse geschiedenis van verheffing en vernedering'. Steinmetz belicht in dit boek het leven van duizenden mensen in Asterdorp, het 'dorp voor ontoelaatbaren' in Amsterdam Noord. Aan de hand van interviews, beleidsnotities en privearchieven reconstrueert Steinmetz met een goed oog voor detail, het ontstaan en de uiteindelijke teloorgang van dit 'asocialendorp'. Zie ook Boekbespreking 

Reactie toevoegen