Voor één keer uit de coulissen

Exit-interview: Art Klandermans bleef de man van de inhoud
Voor één keer uit de coulissen

De souffleur van opeenvolgende wethouders Wonen neemt afscheid. Art Klandermans (63) stopt er deze zomer mee. Buiten de sector is hij nauwelijks bekend, maar als hoogste beleidsadviseur heeft hij gedurende vele jaren grote invloed gehad op het bouwen en wonen in Amsterdam. Voor één keer treedt hij uit de coulissen.

Art Klandermans
Geboren: 1952
Afgestudeerd sociale geografie: 1979
1979-1981: medewerker bij Vrije Universiteit
Vanaf 1981: werkzaam bij de gemeente Amsterdam bij de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting en de opeenvolgende diensten die via fusies en opsplitsingen werden gevormd: Bouw- en Woningdienst Amsterdam; Stedelijke Woningdienst; Dienst Wonen; Dienst Wonen, Zorg en Samenleven; en nu Wonen.
Laatste functie: Hoofd Advies en Strategie Corporaties, duurzaamheid en doelgroepen bij Wonen.

Een leven als ambtenaar. Lag dat voor de hand? Kom je uit een ambtenarenfamilie?
“Totaal niet. Mijn vader was ooit scheepstimmerman en heeft zich later omgeschoold tot bouwkundig tekenaar. Geen van mijn broers en zusters is ambtenaar. Wij hebben wel collectief de stap gezet van geschoolde arbeider naar academicus. In de periode dat ik studeerde, was het redelijk vanzelfsprekend dat je iets voor de samenleving wilde betekenen. Dat het ertoe deed. Ik heb daarom voor de richting stadsgeografie gekozen. En daarmee kom je al snel bij de overheid uit. Bij corporaties zaten toen nog nauwelijks beleidsfuncties; de rijksoverheid zat wel heel ver van de realiteit af. De keuze voor de gemeente lag kortom voor de hand.”

Je startte in de periode Schaefer. De gemeente had toen nog veel macht.
“Klopt. De corporaties werden nog volledig aangestuurd door de gemeente. En hoe ging dat? Wij - ik zat al snel bij Hoofdafdeling Verenigingswoningen - trokken bouwleningen aan, een andere afdeling onderhandelde met de aannemers. De gemeente bouwde. Zo is de Bijlmermeer volledig door de gemeente neergezet en daarna overgedragen aan een aantal corporaties.”

Nooit een andere werkkring gezocht?
“Het heeft maar één keer serieus gespeeld. Midden jaren negentig werd het Platform Gemeentelijke Woningbedrijven gevormd. Edo Arnoldussen ging dat leiden en vroeg of ik meeging. Ik zei ja, maar begon op de fiets naar huis al te twijfelen. De volgende dag heb ik het afgeblazen.
Dat ik hier altijd ben gebleven, is toch omdat het werk en het werkveld zo  interessant zijn. Ik vind het uitdenken, het maken van beleid, interessant. Maar dat geldt ook voor het vervolg: zorgen dat het landt, het politieke proces. Ik zat natuurlijk lang op een plek waar je veel invloed hebt. Dat is gewoon leuk, daar draai ik niet omheen. In de corporatiesector heb je pas veel korter strategische beleidsfuncties, tenzij je bestuurder wilt worden. Dat wilde ik nooit.”

Je bent ook nooit directeur van een dienst geworden. Toch vooral een man van de inhoud?
“Ja. Daar heb ik bewust nooit op gekoerst. Omdat je je dan vooral met al die organisatorische en procedurele kwesties moet bezighouden, en veel minder met de inhoud. Mijn interesse gaat toch vooral uit naar het beleid. Wat je kunt doen voor de stad en zijn inwoners.”

Je hebt de nodige samenvoegingen en opsplitsingen meegemaakt. Hoe kijk je daar op terug?
“Het samenbrengen van de Dienst Volkshuisvesting en de Dienst Herhuisvesting tot de Stedelijke Woningdienst was heel zinvol. Het handhaven van de sociale woningvoorraad en het huisvesten van kwetsbare groepen is nog altijd de kern van het uitvoerende werk van de Dienst Wonen. Maar die opsplitsing in 2002 van de Stedelijke Woningdienst vond ik een dramatische ontwikkeling. Ik heb nooit helemaal de motieven van Stadig begrepen. De daaropvolgende fusie van Wonen met Zorg en Samenleven is een vergissing gebleken. Ik was daar voorstander van, maar de cultuurverschillen bleken te groot. We hadden bovendien op beleidsniveau te weinig raakvlakken. Defuseren was de beste optie.”

Waar kijk je met de meeste voldoening op terug?
“Dat zijn de prestatieafspraken Bouwen aan de Stad I en II. Beide keren leidden een OGA-vertegenwoordiger en ik de onderhandelingen. Daarom voelen die afspraken meer als je eigen resultaat, dan wanneer je er in een ondersteunende rol bij zit.”
“Ook een zeer boeiende periode, maar met veel meer ups en downs, was de herstructurering van de Bijlmer. Ik was toen secretaris van de stuurgroep en heb aan veel stukken meegeschreven. We hebben daar toch een grote en succesvolle ingreep in de stad kunnen verwezenlijken.”

Nog even terug naar die prestatieafspraken. Waarom duren die onderhandelingen altijd zo lang?
“Dat valt toch wel mee? Het heeft beide keren ongeveer een half jaar geduurd. En het was beide keren heel ingewikkeld. Wij waren door het college op pad gestuurd om 200 miljoen euro bij de corporaties weg te halen ten gunste van de gemeente. En de eerste keer ook nog in combinatie met de opdracht de verkoopruimte van corporaties te beperken. Dat gaat natuurlijk moeilijk samen. Het beperken van de verkoopruimte is dan ook niet gelukt. Sterker nog, de verantwoordelijk wethouders hebben op het laatste moment nog extra ruimte beschikbaar gemaakt om die 200 miljoen euro binnen te halen. Je hebt zo’n  periode vooral nodig om de geesten rijp te maken voor oplossingen. Er gaat tijd zitten in het begrijpen van elkaars posities; partijen moeten de tijd hebben om met hun achterbannen te overleggen. Je groeit toe naar een gezamenlijke oplossing.”
“Deze keer gaat het wel heel anders. Corporaties, huurders en gemeente staan nu minder tegenover elkaar. We hebben elkaar eerst gevonden op gemeenschappelijke uitgangspunten. Een groot verschil is dat de corporaties bereid zijn hun boeken open te doen. Ze laten echt het achterste van hun tong zien. Zo kunnen huurders en wij zelf beter de gevolgen overzien van bepaalde keuzes.”

Je hebt onder een aantal wethouders gewerkt. Hoe zorg je ervoor dat ze geen voorstellen doen, die jij niet ziet zitten?
“Uiteindelijk bepaalt niet een ambtenaar maar een wethouder of preciezer nog de gemeenteraad wat er gebeurt. Als je het echt heel erg oneens bent, dan resteert er maar een ding: weggaan.”
“Maar dat moet je zien voor te zijn. Door in het voortraject argumenten aan te dragen, door te proberen een voorstel bij te buigen of door ideeën te opperen om de beoogde doelen anders te realiseren.”

Dat klinkt als een heel loyale ambtenaar. Om je zin te krijgen kun je toch ook andere middelen inzetten: traineren, informatie laten lekken, politieke tegenstand mobiliseren...
“Zo zit ik niet in elkaar. Dat hoor je niet te doen. Uiteindelijk is het de wethouder die beslist: zo gaan we het doen. Dat leidt wel eens tot een voorstel waar je niet helemaal achter staat.”

Noem eens een voorbeeld?
Neem die regeling voor woningdelen die we in de vorige periode hebben gemaakt. Die is wel heel ingewikkeld geworden, omdat we bij de opdracht om ruimte te scheppen voor nieuwe woonvormen ook rekening moesten houden met de overlast die dat kan geven. We hebben dat uiteindelijk juridisch waterdicht weten te maken. Maar het gevolg was wel dat de VVD, de initiatiefnemer van de regeling, tegen stemde. De nieuwe coalitie heeft het weer op de agenda gezet.”

Wat betekent dat eigenlijk, de naaste beleidsadviseur van de wethouder zijn: steeds op zondagavond gebeld worden?
“Nee, dat genoegen is meer voorbehouden aan de directeur. Ik ben in mijn hele loopbaan geloof ik maar één keer op zondag gebeld, door Stadig. Toen had hij een briljant idee, vond hij. En dat was ook zo. Hij had een manier gevonden om onze steun aan de vorming van het Waarborgfonds (WSW) aan de financiering van de vernieuwing van de Bijlmer te verbinden. Een keer dus, dat valt dus erg mee. Maar ik weet dat de huidige directeur Max van Engen en Laurens Ivens over en weer zeer regelmatig contact met elkaar zoeken ‘s avonds en in het weekend.”

Waarom stop je eigenlijk. Je bent nog maar 63?
“De belangrijkste reden: omdat ik het me kan veroorloven. Ik had eigenlijk een jaar geleden dat besluit al genomen. Maar met de komst van zowel een nieuwe wethouder als een nieuwe directeur van buiten de sector leek me niet chique om te vertrekken. En ik wilde nog wel een keer de onderhandelingen met de corporaties en de huurders doen.
Wat een rol speelt, is dat ik merk dat de geschiedenis zich begint te herhalen. Niet alleen dienen dezelfde kwesties zich aan, maar je komt ook bij dezelfde oplossingen uit.”

Leg eens uit?
“De corporatiesector keert enigszins terug naar de situatie van voor de brutering. We hebben vanaf 1995 gezien dat corporaties gaandeweg steeds bedrijfsmatiger zijn gaan werken. Vlak voor de crisis dacht een aantal van hen zelfs na over een volledige doorstoot naar de markt. Dat idee is volledig verlaten. Dat wordt nu afgedwongen door de politiek, maar het is ook een autonome ontwikkeling. Corporaties zijn gaan beseffen dat in die kerntaken hun legitimiteit ligt. Wat dat betreft is de cirkel wel een beetje rond.”

Maar destijds zaten jullie nog aan de geldkraan. De sturingsmiddelen zijn nu veel kleiner.
“Precies. Nu sturen we nog uitsluitend via de grondprijzen en afspraken.”

Afscheidsbijeenkomst: De woningcorporatie in 2030
De afdeling Wonen neemt op 26 augustus afscheid van Art Klandermans. Daarbij zal aandacht zijn voor een onderwerp dat hem na aan het hart ligt: de toekomst van de woningcorporaties.

Nog een slotwoord?

“Dan wil ik nog eens benadrukken dat de volkshuisvesting een heel boeiende sector is om in te werken. Ik gebruik expres het woord ‘volkshuisvesting’ om Hugo Priemus te kunnen aanhalen nadat minister Remkes die term wilde afschaffen: ‘Wat is er toch tegen volkshuisvesting? We hebben toch ook Volkswagen en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.’
Toen ik begon lag de stad er verloederd bij. En kijk nu eens.”

Trefwoorden: