25.06.20
Wethouder Ivens reageert op Rapport Rekenkamer
‘Papieren tijgers zijn er al genoeg’

Amsterdam wil graag een gemengde stad zijn, maar volgens Rekenkamer Amsterdam heeft de gemeente geen goed zicht op de ontwikkelingen en worden doelen onvoldoende onderbouwd. Wethouder Laurens Ivens (Wonen) gaat in op zes vragen over het jongste Rekenkamerrapport. “Een gemengde stad is veel meer dan wonen alleen en raakt ook onderwijs, werk en inkomen, veiligheid, gezondheid, sociale aspecten, groen, en sport.”

In de bestuurlijke reactie op het rapport wordt betoogd dat het ontwikkelen van beleid op het gebied van menging niet zinvol is. Waarom niet?
“Als gemeente gaan wij niet over de bestaande woningvoorraad. Wij bepalen niet wie daar in wonen en welke huurprijzen ze betalen. Daar valt dus als gemeente niet in te mengen of beleid op te maken. In geouwehoer kun je nou eenmaal niet wonen. Papieren tijgers zijn er al genoeg. Over nieuwbouw hebben we wel iets te zeggen. We hebben het middensegment toegevoegd. Eerst bouwde de stad volgens het 30-70 principe: 30% sociale nieuwbouw en 70% vrije sector (dure huur of koop). Nu gebeurt dat volgens de verdeling: 40-40-20. Die regel is niet in beton gegoten. Het gaat om maatwerk, maar zorgt er wel voor dat er een heel woningsegment voor de middeninkomens is bijgekomen en er meer menging ontstaat.”
 

De Rekenkamer sabelt de 40-40-20-regel neer. De intenties zijn volgens de Rekenkamer goed, maar de regel is niet goed doordacht. Onduidelijk is bijvoorbeeld waarom die regel op alle plangebieden van toepassing is.
“Met de spelregels achter 40-40-20 hebben we vorm gegeven aan de wens die de Rekenkamer ook uitspreekt, namelijk de mogelijkheid om bij te bouwen waar de behoeftes zijn. Per project zijn verschillen mogelijk. De oude bouwregel 30-70 leverde vooral hele dure woningen op. Dan moet er iets gebeuren, anders weet je zeker dat er in de stad niets veranderd. Nieuwe woonwijken willen wij gemengd opzetten. Doe je dat niet in de plangebieden, dan gebeurt het niet en worden er geen of te weinig betaalbare woningen gerealiseerd. Dan komt er geen menging tot stand.”
 

Ook constateert de Rekenkamer dat de verdeling niet voldoende wordt toegepast. Is het college voornemens daarin verandering te brengen?
“De cijfers over 2019 (Onderzoek WiA) laten zien dat er juist in de stadsdelen meer menging is ontstaan. De verdeling tussen sociaal, midden en duur is verbeterd. Maar mengen is in stadsdelen met veel bestaande bouw en weinig nieuwbouw een stuk lastiger, dan in de stadsdelen waar nog gebiedsontwikkeling plaatsvindt.”
 

Ook plaatst de Rekenkamer vraagtekens bij de opvatting dat een buurt minimaal 45 procent sociale woningbouw moet bevatten. Waarom niet 40 of 50 procent? Wordt het geen tijd daarvoor een onderbouwing te ontwikkelen?
“De gemeenteraad heeft besloten dat een buurt minimaal 45 procent sociale woningbouw moet bevatten.”

 

Meer algemeen constateert de Rekenkamer groeiende ongemengdheid. Op bepaalde plekken nemen de concentraties van bepaalde groepen toe. Is dat niet een verontrustende ontwikkeling?
“Een gemengde stad is veel meer dan wonen alleen en raakt ook onderwijs, werk en inkomen, veiligheid, gezondheid, sociale aspecten, groen, sport. We kijken dus naar menging in buurten, maar ook naar woningkwaliteit en sociale aspecten. Om dit goed in beeld te hebben is de verkenning Kansenongelijkheid uitgevoerd. Vanuit deze verkenning wordt nu het kenniscentrum Ongelijkheid opgericht, dat een belangrijke bijdrage gaat leveren aan de inclusieve en gemengde stad. Een stad met zoveel mogelijk kansen voor iedereen, ongeacht in welke buurt je woont.”
 

In het verlengde hiervan. Hoe staat het met de invulling van de sociale agenda in die 32 Ontwikkelbuurten?
“Voor verreweg de meeste Ontwikkelbuurten hebben we ondertussen een plan opgesteld. We hebben de kansen voor de buurten verkend. Daar zit ook een grote sociale opgave in. Die sociale agenda wordt door de stadsdelen gevuld. Per stadsdeel en buurt is er een andere aanpak van wat er op sociaal gebied nodig is.”

Trefwoorden: