Minder dominees en meer kooplui

Wie spreekt van een mooie stad, spreekt van goede architectuur. Dit stimuleert veel gemeenten, Amsterdam voorop, om eisen te stellen aan de architectuur. Een nobel beleid. Maar in feite draaien de gemeenten de redenering om. De optelling van al die architectonisch correcte gebouwen levert niet vanzelf een mooie, interessante stad op. Kijk eens naar gelukkige mensen. Die bevestigen hun geluksgevoel door wel eens een glaasje whisky te drinken. Maar wie het verhaal omdraait en onstuimig begint bij de whisky, zal niet zonder meer gelukkig worden.
De gemeenten zouden zich niet zo eenzijdig moeten richten op het eindbeeld. Zij zouden veel meer de processen moeten stimuleren die – au fond – leiden tot het beoogde doel.

Wie spreekt van processen, spreekt van overleg. Dat treft, in overleg zijn we onverslaanbaar. Al acht eeuwen lang – sinds de waterschappen – gaan wij om de tafel zitten, steken we de koppen bij elkaar. Besprekingen, vergaderingen, onderhandelingen, conferenties en fora vullen onze dagen.
Zo’n overlegcultuur heeft nadelen. Altijd houden we rekening met elkaar, steeds compromissen, nooit impulsen voor grote innovaties. Maar aan de andere kant is onze overlegcultuur, met het respect voor elkaars belangen, al eeuwen lang de solide basis voor de successen in de stedelijke economie. Denk hierbij ook eens aan de nog recente periode Schaefer, met topprestaties in de Amsterdamse woningproductie. Gemeente en corporaties, in die tijd de belangrijkste actoren, weken niet van de toen nog rokerige vergadertafels.

In ieder die bij de woningbouw is betrokken, schuilt de dominee en de koopman. Zo komen we tot kwaliteitsverbetering èn tot zaken, een vruchtbare combinatie. Maar met de gemeente Amsterdam is de laatste jaren iets opvallends aan de hand. Die vertoont zich nu alleen nog maar in de afstandelijke rol van dominee, als prediker van kwaliteiten.
De gemeente voert vaak een autonoom kwaliteitsbeleid, met zware eisen vooral op het gebied van stedenbouw en architectuur, programma’s, prijsniveaus, milieu en parkeren. Te veel van deze eisen zijn niet marktconform. Zij kosten wel geld maar leveren niks op. Het Grondbedrijf doet bij de bepaling van de grondprijzen net alsof de kostenverzwarende eisen van de gemeentelijke collega’s niet bestaan.
Nu de markt tegen zit, zakken de projecten, als zielige overbelaste ezeltjes, door hun kittige poten. De Amsterdamse woningproductie is naar verhouding dieper gedoken dan de landelijke productie.

De gemeente heeft – dat wordt steeds duidelijker – door haar eenzijdige opstelling geen positieve invloed op de woningproductie. Natuurlijk heeft de gemeente de markt niet in de hand, maar zij kan effecten wel bijsturen. Veel meer zou onze grote gemeente bezig moeten zijn met het stimuleren van processen. Bovendien moet er weer een oer-Hollandse productieve cultuur van overleg worden opgebouwd met als belangrijkste spelers in de productie: de ontwikkelaars en corporaties.

De balans tussen kwaliteit, kosten (waaronder de grondkosten) en voortgang in de processen moet veel subtieler en doelgerichter worden gemanaged. Hier ligt een uitdaging voor het nieuwe Ontwikkelbedrijf van de gemeente dat er nu snel moet komen.
Een eerste vereiste is dat dit Ontwikkelbedrijf niet alleen dominees in dienst neemt, maar vooral kooplui. De dominee kan zich beperken tot het formuleren van de zuivere doelen. De koopman staat in het leven, en moet zorgen dat de handel aantrekt. Dat er processen op gang komen, met goede architectuur als uiteindelijk, tastbaar resultaat van de processen èn als expressie van de levenskrachtige, optimistische stad.