Domweg gelukkig

... in de datsja.

Nou ja, domweg gelukkig bestaat niet: om te weten wat geluk is moet je meer in je mars hebben dan domheid. Al zijn het slechts de zintuigen, die het geluk opsnuiven en ruiken, de oren die de meest verfijnde nuances in klank of stem herkennen en ogen, uiteraard, die niet uitgekeken raken…
Ik weet niet of ik hiermee een beeld van het idee geluk geschapen heb, of een definitie gegeven: in principe verstaat elk mens iets anders bij het horen of lezen van een woord, welk woord dan ook.
De oude Indiase wijsheid spreekt van een ‘lichaam van gelukzaligheid’, dat dan wel via meditatietechnieken bereikt moet worden via andere lichamen of bewustzijnsstaten, het vitaal lichaam, het mentaal lichaam – allerlei staten die met namen als moksha, satori, samadhi uitgedrukt worden. Uiteraard is gelukzaligheid, bevrijding van begeerte, de opperste staat van geluk, oneindig véél meer dan een persoonlijke verzameling van geluksmomenten in verleden en heden, maar hét waarlijke toppunt, de piekervaring waarvan sprake is in de transpersoonlijke psychologie, het Zelf, de ziel.
Ik sta even op om twee passen naar buiten te zetten; deze tekst waaiert zijn eigen abstracte kanten op, wat niet altijd de bedoeling is van een column.

Ik heb het terras geveegd; onder een pergola van druif, balsemien en kamperfoelie is er altijd werk aan de winkel, en ik stoor nauwelijks het tiental mussen en mezen dat van het brood in een opgehangen vogelhuisje eet. Het is fris buiten, buitenlucht – natuur rondom, achter ons hek het W.H. Vliegenbos, aan de andere kant het uitspansel en het groen van de omliggende tuinen: zo’n honderdtal totaal.
Een doordeweekse dag, bijna niemand te horen, soms de baby van honderd meter ver, en de spelende kinderen een laantje verder.
Witte, bruine, blauwe vlinders rond de paarse en witte kegels van de bloeiende buddleia-struik; een duif die zich tegoed doet aan kamperfoeliebessen heeft onder luid protest de kleinere vogels verjaagd, die nu in een dennenboom wachten op zijn vertrek. Die boom hebben we in het dozijn jaren, die we hier zomers doorbrengen, tot drie keer zijn hoogte zien groeien. De in het voorjaar zo prachtig roze bloeiende prunus hebben we in de achterbak van de auto vanuit een kwekerij hierheen vervoerd, en wat te denken van de in een bloempot aangeschafte hortensia’s, die in de volle grond gezet tot manshoogte en –breedte zijn uitgewaaierd.
Hoe de varens zichzelf vermenigvuldigden – hoe we in principe de natuur zelf haar gang lieten gaan; van die vrijheid hebben bijvoorbeeld de New Dawn-rozen en Montana-clematis ruimschoots gebruik gemaakt; de heemtuin kent zijn eigen watervallen-in-kleur. Niet te ver weg het geruststellende gehamer van de vogeldorp-restoratie, soms van nog even verder weg, aan de stadszijde van Het IJ, de fluit van een cruiseschip aan de Passengers Terminal (in het Engels, zodat iedereen weet waarover ik spreek) – en eveneens, binnen het handbereik van de herinnering, achter een art-deco-voile verscholen, het kleine scherm dat ons via de kamerantenne in contact kan brengen met de nieuwskanalen van Nederland 2 en 3, met zo nu en dan een krimi, thriller of andere Tatort.
De energie komt van de zon zelf; twee lichtpanelen op het dak, vijf lichtpunten op zestien vierkante meter (ooit het maximum in de Amsterdamse Volkstuinwereld), 5 x 3,33 m, waarin keuken, huiskamer en bedstee. Gemoedelijk bruin hout, horizontale schrootjes, dubbelwandig; ruime ramen naar west- en zuidzijde. Impulsaanschaf: een minuut die ons leven zou veranderen. Te koop stond er aangegeven, tuinnummer 25, identiek aan ons huisnummer in de S-straat, tegenover het Amstelhotel. Wij waren verkocht; jaren van geluk ons deel.
EDEN noemden wij onze datsja, en ik plakte onder het huisnummer achter het raam, de uitspraak van Voltaire, de laatste woorden van Candide: ‘Cela est bien dit, mais il faut cultiver notre jardin.’

Simon Vinkenoog