De regionale woningmarkt

De regionale woningmarkt: hij bestaat maar niemand is verantwoordelijk

Tussen polderen en netwerken

NUL20 Jubileum 50Grote aantallen mensen verhuizen naar en uit de stad. De Amsterdamse woningmarkt is altijd een regionale geweest – van overloopgebieden, via ROA tot metropoolregio. En terwijl woningcorporaties zich steeds regionaler organiseren, blijft bestuurlijk de gemeentegrens heilig. Belangentegenstellingen én gedeelde belangen worden volgens beproefd poldermodel uitonderhandeld in de gremia van de stadsregio en de metropoolregio. Een terugblik.
taartdiagrammen
Kengetallen Stadsregio 2008, uit Jaarboek 2009 Samenwerkende  Samenwerkende woningcorporaties Zaanstreek Waterland

Nadat op 17 mei 1995 de stadsprovincie Amsterdam per referendum werd afgeserveerd, wilde niemand het meer hebben over een nieuw bestuurslichaam voor de agglomeratie Amsterdam. Sindsdien doken talrijke andere overlegorganen op om de behoefte aan regionale sturing in te vullen: ROA, Noordvleugeloverleg, Deltametropool, Regio Randstad, Atelier Almere-Amsterdam en Holland Acht. “We vergaderen ons inderdaad suf”, zegt wethouder Duco Stadig bij zijn afscheid in mei 2006 tegen NUL20. “Dat komt omdat er nooit ergens een besluitvormende vergadering is. Niemand gaat ergens over. Na het afblazen van de stadsprovincie hebben we besloten te zoeken naar wat ons bindt in de regio. Het is niet anders.”
Het meest positief is Stadig over WoningNet. “Dat werkt. Onze buren zijn nu ook de fase van angst voor een invasie van Amsterdammers voorbij. Daarmee hebben we echt een regionale woningmarkt gecreëerd.”
Het minst vrijblijvende bestuurlijke overlegorgaan is de Stadsregio Amsterdam, de opvolger van het Regionaal Orgaan Amsterdam  (ROA). Daarin werken zestien gemeenten samen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid en economische ontwikkeling. De Stadsregio Amsterdam heeft een aantal wettelijke taken van het rijk toebedeeld gekregen en voert gedelegeerde taken van de zestien gemeenten uit.

Na het echec van de stadsprovincie was het nog een wonder dat in 1997 de zestien Noord-Hollandse ROA-gemeenten en de betrokken corporaties startten met een gemeenschappelijk woningaanbodsysteem voor sociale huurwoningen. Vanaf dat moment konden Amsterdammers hun opgebouwde woonduur inzetten om in pakweg Purmerend te gaan wonen en vice versa. In 2001 kreeg dit systeem nog meer betekenis toen het digitale WoningNet de lucht inging.
De regionale woonruimteverdeling bleef ondertussen wel een potentiële tijdbom in de lokale politiek. Het spreekt boekdelen dat de gemeenten van de Stadsregio vanaf 2002 bijna zeven jaar nodig hebben om de Raamovereenkomst voor regionale woningtoewijzing te verlengen. De ene procesmanager volgde het andere discussiestuk op. Alle gemeenten onderschreven weliswaar de waarde van de regionale markt, maar bleven het hopeloos oneens over de details van de toewijzingsregels. Elke gemeente heeft zijn eigen no go areas. Bovendien blijft de angst voor een Amsterdamse invasie toch opspelen bij buurgemeenten. En het is ook niet mis. Zo ging in 2003 nog ruim een derde van alle vrijkomende corporatiewoningen in Purmerend naar mensen van buiten, voornamelijk Amsterdammers. Dat wordt een onderwerp als eigen starters jaren moeten wachten. Zelfs al is de helft van de Purmerenders ex-Amsterdammer.
Politici moeten zich voor woningschaarste verantwoorden bij hun lokale achterban. Niet voor niets werd daarom de opkomst van lokale partijen met enige vrees gevolgd. Zou het uitdraaien op ‘eigen starters eerst!’? De uiteindelijke overeenkomst is na jaren overleg een echt polderresultaat: het regionale karakter van WoningNet blijft overeind, maar lokale bestuurders krijgen een flinke eigen beleidsruimte om een deel (tot dertig procent) van de vrijkomende woningen voor eigen doelgroepen te reserveren. Zodoende komt in Purmerend weer 71 procent van de nieuwe huurders uit de eigen gemeente (2008, Jaarboek SWZW). Omgekeerd schiet de regio te hulp om het Amsterdamse stuwmeer aan stadsvernieuwingsurgenten, veelal grote gezinnen, te verminderen.
Ondertussen tekenen zich de volgende bestuurlijke regionale uitdagingen al weer af in de vorm van de nieuwe Huisvestingswet en de nieuwe EU-staatssteunregels. Corporaties moeten van Brussel minimaal negentig procent van hun woningen toewijzen aan huishoudens met een maximuminkomen van 33.000 euro. Dat geldt voor elke corporatie afzonderlijk en per regio.

De metropool

In de Structuurvisie Randstad 2040 werd voor het eerst op landelijk niveau hardop gezegd wat iedereen al wist: Amsterdam is de economische magneet van de Randstad. Het was het beste dat dan ook maar uit te venten: de Metropoolregio Amsterdam, de Stadsregio inclusief Haarlem en Almere -  en later mogelijk zelfs Alkmaar, Lelystad en Leiden – moet zich volgens die visie opwerken tot een metropolitane regio die internationaal tot de top behoort.
Over de ‘Noordvleugel’ hebben we het sindsdien niet meer. Het is nu de ‘Metropoolregio Amsterdam’ of The Amsterdam Metropolitan Area (AMA). Dat werkt in ieder geval in het buitenland beter, want Amsterdam is een sterk merk. En dus draagt ook burgemeester Annemarie Jorritsma van Almere in China als het zo uitkomt een T-shirt met I AMsterdam erop.
De Metropoolregio werkt op basis van thematische coalities. Voor economie, vervoer of natuurbeheer kunnen steeds andere gemeenten en provinciale overheden samenwerken. Het werkt, tenminste als platform. Maar niemand is aanspreekbaar op resultaten. Geen wonder dat veel gemeenten tegelijk ook graag aanschuiven in de Bestuurlijke Kerngroep van de Stadsregio.
De roep om een echt politiek bestuur op regioniveau blijft dan ook klinken, maar maakt minder kans dan ooit. De landelijke politiek wil juist bezuinigen door de ‘bestuurlijke drukte’ te verminderen. In dat stramien past het fuseren van gemeenten beter. Vanuit Amsterdams perspectief is uitbreiding met Diemen, Duivendrecht en wellicht ook Amstelveen een logische stap. Maar wat logisch is, vinden bewoners en politici van deze randgemeenten daarom nog niet wenselijk. Een derde variant zou nog zijn het opheffen van de huidige provincie en die vervangen door een Randstadprovincie en/of een stadsprovincie. Ja, tóch weer die stadsprovincie. Maar het meest waarschijnlijke is toch dat we gewoon doorpolderen, waarbij de Stadsregio verantwoordelijk is voor een aantal concrete regionale taken en andere ontwikkelingen via de Metropoolregio tot wasdom komen. Of niet natuurlijk.

regionale woningmarkt

De regionale woningmarkt

Terug naar de woningmarkt. De meeste huizen in de regio worden beheerd en gebouwd door de corporaties. Die stoppen allang niet meer bij gemeentegrenzen. Hun bestaande woningaanbod van sociale huurwoningen is zoals gezegd al jaren binnen de gehele stadsregio ontsloten via WoningNet. Daarbij hebben ze hun werkgebied het afgelopen decennium via fusies en overnames gestaag uitgebreid. Ymere hanteert bij uitstek een regionale strategie. Directeur Strategie Fred Schoorl benadrukt dat nog eens in het recente visiedocument  ‘Met ziel en zakelijkheid’. Daarin wordt uitgelegd dat Ymere zijn regionale aanwezigheid wil benutten om zijn klanten een brede staalkaart aan woningtypen en woonmilieus aan te kunnen bieden. “Woningbouwplannen moeten steunen op onderzoek naar leefstijlen”, stelt Schoorl, “zodat differentiatie meer is dan steeds complexen met appartementen neerzetten. Daarom richten we ons ook steeds meer op co-productie, dus samen met de toekomstige bewoners.” Dat laatste moet dan vooral plaats gaan vinden in Almere-Hout. Over Almere gesproken: dat is ook het nieuwe werkterrein van Stadgenoot, de meest Amsterdamse van alle Amsterdamse corporaties.

Toekomstige regionale kwesties
  • Beste bestuurlijke schaalniveau voor regionale ontwikkeling
  • Inpassing huidige Raamovereenkomst in nieuwe Huisvestingswet
  • Brusselse regels voor staatssteun
  • Prestatieafspraken met corporaties op regioniveau?
  • Almere in WoningNet Stadsregio opnemen?

Corporaties werken dus op een andere schaalgrootte dan gemeenten. Betekent dit dat op termijn moet worden gedacht aan regionale prestatieafspraken met corporaties? Demissionair wethouder Maarten van Poelgeest meent van niet: “Daarvoor zou  je dan als regionale gemeenten onderling eerst weer een overheidspiramide moeten opbouwen. Dat is niet praktisch. Lokale afspraken hebben voorlopig gewoon de voorkeur.”
Schoorl deelt die opvatting, al juicht hij het toe dat gemeenten vormen zoeken voor bovenlokaal overleg. Hij wijst er op dat de meeste corporaties uitgaan van lokale kennis en binding. Over de wenselijkheid van regionale prestatieafspraken heeft Ymere geen standpunt: “Het is niet aan de orde.”

Bas Donker van Heel