Bewoners vooral ontevreden over mate van menging in Westelijke Tuinsteden
Wil de Amsterdammer gemengd wonen?

Dossier gemengd wonenGeen seniorenwijken, Little Marocco of een binnenstad met louter koopwoningen. De Amsterdamse politiek houdt onverkort vast aan het beginsel van ‘de ongedeelde stad’. Maar hoe beleeft de Amsterdammer zelf eigenlijk dat gemengd wonen? De uitkomsten uit het onderzoek Wonen in Amsterdam 2005 zijn op dit punt weinig eenduidig. Wie in relatief homogene wijken in ‘hoge status’-buurten woont, is over het algemeen zeer tevreden over de geringe mate van menging. Maar in sommige ‘zeer gemengde’ stadsdelen waarderen bewoners juist weer de gedifferentieerde bevolkingsopbouw. Bewoners zijn vooral ontevreden over de mate van menging in delen van de Westelijke Tuinsteden.

Gemengd wonen is een beladen, maar vooral ook ambigue begrip. Slaat menging op etniciteit, leeftijd, inkomen, huishoudenstype of leefstijl? De onderzoekers in de WIA-enquête laten het aan de respondent zelf over wat hij/zij zelf onder een ‘gemengde’ buurt verstaat. Gezien de antwoorden lijken ze daar vooral etnische menging onder te verstaan.

Onderzoek gemengd wonen: zo zit het
Het begrip ‘leefbaarheid’ wordt in het onderzoek ‘Wonen in Amsterdam 2005 (WiA)’ gedefinieerd met de parameters schoon, heel, veilig en prettig samenleven. Eerdere WiA-onderzoeken wezen op een duidelijk verband tussen de tevredenheid over de buurt als geheel en de beoordeling van het ‘prettig samenleven’ met andere bewoners. Tevens leek het erop dat bewoners vooral tevreden waren over de omgang met andere groepen mensen in buurten met een relatief homogene bevolking: landelijk Noord, de grachtengordel, delen van Oud-Zuid en de Watergraafsmeer. Minder tevreden waren onder andere bewoners van delen van de oude Westelijke Tuinsteden. In WiA 2005 zijn daarom twee vragen toegevoegd over de mate van menging en de waardering daarvoor. De eerste vraag luidt: “Vindt u dat de bevolking in uw buurt gemengd is of juist niet?” De tweede vraag vraagt om een oordeel over de mate van menging: “Hoe tevreden bent u met de mate van menging in uw buurt?”. Het begrip ‘gemengd’ is hier niet gedefinieerd. Het hangt dus af van degene die de vraag heeft beantwoord of menging hier slaat op bijvoorbeeld etniciteit, inkomen, huishoudenstypen en/of leefstijlen. Bovendien kan de ene persoon een buurt gemengd vinden, terwijl een andere bewoner de buurt homogeen vindt. Net zoals bij de andere leefbaarheidsvragen in Wonen in Amsterdam 2005 wordt hier dus een beeld gegeven van het subjectieve oordeel van de bewoners.

Volgens de bewoners zelf zijn Westerpark en De Baarsjes de meest gemengde stadsdelen van Amsterdam en Centrum, Zuideramstel en Oud Zuid de minst gemengde. In Oud Zuid zijn de bewoners zeer tevreden over de mate van menging (7,1). Ook in stadsdelen Centrum (6,9) en Zuideramstel (7,0) zijn bewoners bovengemiddeld tevreden over de mate van menging. Dit lijkt de ‘soort zoekt soort’–gedachte te ondersteunen. Men woont in de buurt met gelijkgestemden, de buurt is niet gemengd en de bewoners vinden dat prima zo. Maar zo eenvoudig ligt het niet, althans niet overal. In de ‘gemengde’ stadsdelen Westerpark en Oud-West geven bewoners samen met Oud Zuid het hoogste rapportcijfer aan de mate van menging (7,1). Ronduit ontevreden over de mate van menging zijn de bewoners van Bos en Lommer (5,4) en Geuzenveld-Slotermeer (5,6). Beide stadsdelen scoren gemiddeld op de mate van menging. Van een eenduidig verband tussen de mate van menging en de tevredenheid daarover is dus geen sprake.
Stadsdeel Zuidoost wordt door de bewoners als gemengd stadsdeel gezien en de tevredenheid daarover is bovengemiddeld. Dit sluit aan bij ander onderzoek, waaruit blijkt dat de bewoners van de Bijlmermeer de bevolkingssamenstelling en de mate van multiculturaliteit waarderen. Uit het grote Europese onderzoek RESTATE (zie www.restate.geog.uu.nl), waarin 29 naoorlogse woonwijken in tien landen met elkaar worden vergeleken, blijkt dat bewoners van de Bijlmer het meest tevreden zijn over de bevolkingssamenstelling. Bewoners van multiculturele buurten als de Kolenkit in de Westelijke Tuinsteden blijken echter veel minder tevreden over de bevolkingssamenstelling. Dat vinden niet alleen autochtone Nederlanders, maar ook andere etnische groepen.

Grote verschillen tussen en binnen stadsdelen

Wie zijn nu vooral ontevreden over de mate van menging? Inkomen blijkt minder invloed te hebben op de tevredenheid over de mate van menging dan etniciteit. Zo blijken Turken in zijn algemeenheid veel minder tevreden over de mate van menging dan andere bevolkingsgroepen (Dat geldt overigens ook voor de tevredenheid over de buurt als totaal). Maar de belangrijkste verschillen zitten toch tussen de stadsdelen en niet tussen de bevolkingsgroepen.
Zo zijn in Oud Zuid, Westerpark en Oud-West alle inkomensgroepen gemiddeld tevreden over de mate van menging, terwijl in Bos en Lommer en Geuzenveld/Slotermeer het omgekeerde het geval is. In Bos en Lommer geven alle etnische groepen minder dan een 6 voor de tevredenheid over de mate van menging, terwijl dat in Oud Zuid bij alle groepen boven een 6,5 ligt. Surinamers en Antillianen zijn in Zuidoost wat tevredener over de mate van menging dan de andere etnische groepen. Dat zou er op kunnen duiden dat daar waar de betreffende groep in sterke mate is vertegenwoordigd, de bewoners tevreden zijn. Maar dat blijkt weer niet op te gaan voor de Marokkanen en Turken in Slotervaart en Bos en Lommer. Die zijn daar in ruime mate vertegenwoordigd, maar waarderen de mate van menging toch negatief.

De verschillen binnen stadsdelen zijn trouwens groot. Een voorspelbare uitkomst is dat bewoners Oost gemengd vinden en de Watergraafsmeer niet. Vandaar dat we verder inzoomen op het schaalniveau van de buurtcombinaties. De vijf meest gemengde buurten (zie Kaart 1) liggen in de negentiende-eeuwse gordel en de ring ’20–‘40. De lijst wordt aangevoerd door de Oosterparkbuurt, Kinkerbuurt, Dapperbuurt (8,1) gevolgd door de Staatsliedenbuurt en de Nieuwe Pijp (beide 8,0). De minst gemengde buurten zijn het Museumkwartier en de Apollobuurt (beide 3,2), gevolgd door Driemond (3,7), landelijk Noord en de Grachtengordel West en Zuid (3,9). Het betreft hier de ‘hoge status’-gebieden in de grachtengordel en Zuid, alsmede de landelijke dorpen aan de rand van de stad.
Bewoners blijken het meest tevreden over de mate van menging in de negentiende-eeuwse gordel, die volgens de bewoners zeer gemengd is, én in hoge status-buurten, waar zeer weinig menging is. Het meest tevreden over menging zijn de bewoners van de Apollobuurt, Oude Pijp, Driemond en de Staatsliedenbuurt. Dat zijn over het algemeen ook buurten waar bewoners bovengemiddeld tevreden zijn over de buurt als geheel.
Bewoners van Overtoomse Veld zijn het minst tevreden over de mate van menging (4,9), gevolgd door de Kolenkitbuurt (5,0) en Slotermeer Noordoost (5,3). De vijf buurten waar de bewoners het minst tevreden zijn over de mate van menging, vormen een aaneengesloten gebied in de Westelijke Tuinsteden. Meestal scoren deze buurten gemiddeld op de mate van menging. De vraag die onmiddellijk opkomt is of deze bewoners nou meer of minder menging wensen en wat ze daar dan precies mee bedoelen. Duidelijk is in ieder geval dat ze de huidige situatie niet waarderen.

Overtoomse Veld en Staatsliedenbuurt als uitschieters
Overtoomse Veld springt eruit als buurt waar bewoners ronduit ontevreden zijn over de mate van menging. De Staatsliedenbuurt wordt juist gewaardeerd als gemengde buurt. Hoe zit dat?
Allereerst is de ontevredenheid van de bewoners van Overtoomse Veld veel breder; op vrijwel alle leefbaarheidsaspecten scoort de Staatsliedenbuurt beter. Het rapportcijfer voor de buurt steeg bovendien van 6,1 in 2001 naar 7,3 in 2005. De afgelopen jaren zijn daar veel nieuwbouwprojecten opgeleverd en is de Fannius Scholtenbuurt opgeknapt. De differentiatie van de woningvoorraad is daardoor sterk toegenomen. In Overtoomse Veld is de vernieuwingsoperatie nog in een pril stadium.
Overtoomse Veld versus Staatsliedenbuurt verschillen weinig van elkaar wat betreft inkomensverdeling. Beide buurten kennen een oververtegenwoordiging aan lage inkomensgroepen (44% en 41%); beide buurten verschillen wel wat betreft etniciteit en gezinstype. Volgens bewoners is de Staatsliedenbuurt zeer gemengd, maar de bevolkingssamenstelling naar etniciteit lijkt sterk op die van Amsterdam als geheel en autochtone Nederlanders maken er met 53 procent de meerderheid uit. Er wonen veel meer alleenstaanden (65% tegenover 44%) dan in Overtoomse Veld. Daar is de bevolking volgens de bewoners minder gemengd, maar volgens de statistieken ‘gemengder’ naar etniciteit. Marokkanen zijn er met 33 procent de grootste groep, gevolgd door de Nederlanders met 26 procent.
Autochtone bewoners vinden Overtoomse Veld gemiddeld een gemengde buurt (6,9), maar Marokkanen vinden de buurt een stuk minder gemengd (4,9). Beide groepen zijn echter ontevreden over de situatie, want de Nederlanders geven een rapportcijfer van 4,8 als oordeel over de menging en de Marokkanen een 5,0. Je zou voorzichtig kunnen concluderen dat de Nederlanders Overtoomse Veld te gemengd vinden en de Marokkanen niet gemengd genoeg, maar in feite bedoelen ze hetzelfde: er wonen te weinig autochtonen.
In WIA 2005 hebben bewoners de mogelijkheid gekregen om met drie trefwoorden aan te geven wat ze het vervelendst vinden van hun buurt. Tevens hebben ze aangegeven wat er kan verbeteren in de buurt. Het is opvallend hoe vaak bewoners van Overtoomse Veld in het WiA-onderzoek de bevolkingssamenstelling als ergernis en verbeterpunt noemen. Dat geldt voor alle etnische groepen. Een aantal Surinaamse en Antilliaanse respondenten spreekt over “teveel dezelfde soort mensen”, “ik hoor hier niet”, “alle witte mensen verhuizen”, “woningdiversiteit gering”. Een aantal Marokkanen vindt het vervelend dat “het niet gemengd is” en merkt op dat er “teveel buitenlanders bij elkaar wonen”. In de Staatsliedenbuurt wordt dit nauwelijks genoemd.

Gemengd bouwen in probleemgebieden

Concluderend: bewoners blijken zeer tevreden over de mate van menging in weinig gemengde hoge status-buurten in Oud Zuid, de grachtengordel en de landelijke dorpen aan de rand van de stad. Dit lijkt de ‘soort zoekt soort’-gedachte te ondersteunen. Maar dat is de halve waarheid. In buurten als de Oude Pijp en de Staatsliedenbuurt waarderen de bewoners juist de gemengde bevolkingssamenstelling. De mate van menging wordt het minst gewaardeerd in een aantal buurten in de oude Westelijke Tuinsteden. Dat geldt voor alle bevolkingsgroepen. In objectieve zin gaat het hier om buurten die sociaal-cultureel gemengd zijn, maar een oververtegenwoordiging kennen van mensen met lage inkomens en of lage opleiding. Bewoners in die wijken hebben vaak weinig met elkaar gemeen en de betrokkenheid bij de buurt is gering. Sommige bewoners van deze buurten geven aan dat de buurt te eenzijdig is samengesteld. Als verbeterpunt noemen bewoners zelf vaak een grotere differentiatie van de woningvoorraad, bijvoorbeeld door de bouw van koopwoningen.
Uiteraard is gemengd bouwen geen panacee voor alle problemen, maar het leidt er wel toe dat mensen met een verschillende sociaal-economische of sociaal-culturele achtergrond elkaar kunnen ontmoeten. Bijvoorbeeld via school. In de Staatsliedenbuurt, een gemengde buurt die zeer gewaardeerd wordt door de bewoners, heeft het gemengde bouwen van de afgelopen jaren er in ieder geval toe geleid dat een aantal zwarte scholen gemengd is geworden.

Jeroen van der Veer
Beleidsadviseur Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties

U kunt de onderzoeksversie van deze tekst hier downloaden (PDF, 512 Kb).
Het onderwerp komt uitgebreider aan de orde in de leefbaarheidsrapportage op basis van Wonen in Amsterdam 2005, die in het najaar verschijnt.