Domweg gelukkig

Domweg gelukkig

… aan de Prinsengracht.

Het mooiste zijn de vroege ochtenden in de herfst. Het licht is neutraal, zoals het noorderlicht dat schilders graag in hun atelier willen, en vlak boven het water van de gracht hangen nog de restanten van de nachtnevel. Mooi. Maar wat die momenten bijzonder maakt, is niet zozeer wat ik zie als ik mijn huis uit stap, als wat ik ruik. Een van de woonboten voor de deur stookt nog een houtkachel, en in de frisse lucht van de ontwakende stad hangt de kruidige, intieme geur van een houtvuur. Zo is Amsterdam, zelfs in zijn dichtbebouwde zeventiende-eeuwse kern: grootsteeds en dorps tegelijk.
Zonder te weten of het waar was, had ik er altijd op gehoopt. Dat er een stad was waar mensen op straat liepen, waar ze bekenden tegenkwamen en een tijdje op de hoek stil stonden om een praatje te maken. Waar ze naar vrienden konden lopen, of naar de bioscoop, of de supermarkt, zonder voor elke afzonderlijke boodschap en bestemming in de auto te hoeven stappen. Een stad met de voorzieningen van een metropool en de fysieke schaal van een dorp. Ik zag het bij aankomst al snel: Amsterdam was zo’n stad. Heel anders dan Los Angeles, waar je nooit iemand op straat zag. Daar was het te heet, en de lucht was te vervuild, en vooral: er viel niet te lopen want niets lag op loopafstand.
Een middag lang heb ik op de hoge stoep van een willekeurig grachtenpand gezeten en naar de bewegingen gekeken van de auto’s, de fietsers, de voetgangers, schering en inslag van een vertrouwd weefsel. In een uur zag ik meer mensen elkaars pad kruisen – met of zonder contact – dan ik voor mijn huis in Californië in een jaar zou hebben kunnen optekenen. Ik kende het woord toen niet, maar waar ik zo geboeid naar zat te kijken was stedelijkheid.
Is zo’n reusachtige stad als Los Angeles dan niet stedelijk? Wat zal ik zeggen. Het is een verzameling dorpen en stadjes, aan elkaar geregen met linten asfalt. Dat ze een geheel vormen, ervaar je alleen als je je met hoge snelheid over die linten beweegt. Daar is stedelijkheid een verzameling plaatsen en plaatsjes, van afslagen, verkeerspleinen, benzinestations en het eindeloos herhaalde motief van een postzegel groen met een vrijstaand huis erop – een optelsom die alleen dankzij gemotoriseerde beweging bestaat. In Amsterdam, aan de Prinsengracht, kan ik stilzitten, voor het raam of op de stoep, en volop in de stad zijn.
Tegenover dat extensieve van L.A. bekoort het intensieve van Amsterdam mij. Soms betrap ik me op een zinloze overpeinzing: hoe veel voet-, karre-, fiets-, autosporen hebben elkaar gekruist op de hoek die ik op dat moment passeer? Een niet te ontrafelen breiwerk van één rechtsaf, één linksaf, één rechtdoor. Ik stel me dan voor hoe al die sporen als evenzovele lagen sediment in de bedding van de rivier liggen die deze eeuwenoude stad is. Een bedding waarop telkens nieuwe inwoners hun eigen fijne laag stof laten neerdwarrelen op het residu van hun voorgangers.
Al snel wist ik dat ik hier wilde wonen. En het was net zo snel duidelijk, dat als ik hier bleef, ik aan een gracht wilde wonen – dat is voor een Amerikaan nou net het speciale van Amsterdam. Het is een smal, hoog huis aan de rand van de Jordaan geworden, een huis als een stapel luciferdoosjes die met elkaar verbonden worden door een wenteltrap als een wokkel.
Het voelt heel echt, dit huis. Op foto’s van Breitner is het terug te vinden, uit de verte herkenbaar aan de dubbelhoge glazen pui met ruitjes. Het was vroeger een winkel; van de vorige huurders kregen we een foto ervan mee die nu in de keuken hangt. Achter het raam zit een oudere man achter zijn werkbank, op de gevel staat in sleetse letters ‘schoenmakerij’ geschilderd. De Prinsengracht was altijd al die ene waar tussen de deftige huizen zich nog garages en kleine werkplaatsen hadden genesteld.
Wat een verbazing daarom toen het tijd was op een van de verdiepingen de vloerbedekking te vervangen, en de boor op een betonnen vloer stuitte.
Wat nu?! Het hele pand blijkt een replica te zijn, een nauwgezette reconstructie van het huis uit de zeventiende eeuw dat hier stond totdat het in de vroege jaren zestig tot de grond toe afbrandde. Ik ben onthutst, maar ik kan niet ontkennen dat het even hilarisch is als wrang: heb ik weloverwogen Disney ingeruild voor de Gouden Eeuw, zit ik hier in een nepper, een onbedoelde voorloper van de historiserende architectuur die in de jaren negentig ineens zijn intrede in Nederland deed.
Het heeft een tijdje geduurd, maar ik heb me ermee verzoend. Ik heb the best of both worlds: de voordelen van een betrekkelijk nieuw huis, in een prachtige historische omgeving, met de geur van een houtvuurtje in de grote stad.

Domweg gelukkig

… aan de Prinsengracht.

Het mooiste zijn de vroege ochtenden in de herfst. Het licht is neutraal, zoals het noorderlicht dat schilders graag in hun atelier willen, en vlak boven het water van de gracht hangen nog de restanten van de nachtnevel. Mooi. Maar wat die momenten bijzonder maakt, is niet zozeer wat ik zie als ik mijn huis uit stap, als wat ik ruik. Een van de woonboten voor de deur stookt nog een houtkachel, en in de frisse lucht van de ontwakende stad hangt de kruidige, intieme geur van een houtvuur." data-share-imageurl="">