Explosies, branden en beschietingen vragen steeds meer tijd en geld van Amsterdamse woningcorporaties. Met gemeente en politie hebben zij afspraken gemaakt over de hulp na calamiteiten, maar die zijn nog niet helemaal waterdicht. Bij Stadgenoot staat een calamiteitenteam, dat piketdiensten draait, klaar om bewoners op te vangen. “Ik neem het niet mee naar huis. Maar natuurlijk doet het wel iets met je.”
Explosies en beschietingen bij corporatiewoningen lijken ver weg in het voormalige Rijksmagazijn van Geneesmiddelen aan de gemoedelijke Sarphatistraat, het Amsterdamse hoofdkwartier van Stadgenoot.
Maar schijn bedriegt zoals gewoonlijk. ‘Geweldsincidenten van buitenaf’, zoals calamiteiten heten in het gezamenlijke handelingskader dat gemeente, corporaties en politie sinds eind 2024 gebruiken, doen zich overal in de stad voor. Pieken verschuiven zomaar van West naar Noord als bendes elkaar opzoeken ("in West is het nu bal”), en niet alleen corporatiehuurders kunnen overal geconfronteerd worden met – meestal traumatisch – geweld.
Wie schakelt wie in?
Stadgenoot stond in 2022 met Eigen Haard aan de wieg van het Handelingskader nazorg bij geweldsincidenten van buitenaf, zoals de taakverdeling voluit heet. Wat is de rol van de politie, van de hulpdiensten, van de gemeente, en, van de corporaties? Wie doet wat, wie schakelt wie in? Welke informatie mag gedeeld worden?
Het heeft jaren geduurd voordat die afspraken er lagen. De Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) heeft daarbij veel coördinerend werk verzet.
In 2025 turfde Stadgenoot in haar woningen, bedrijfspanden en portieken 23 explosies en ‘explosie gerelateerde incidenten’, zoals de opslag van explosief materiaal in kelderboxen. Samen met branden, geweldsincidenten en schietpartijen zijn explosies goed voor bijna de helft van de 55 calamiteiten die Stadgenoot dat jaar telde. Dat is gemiddeld één schokkende gebeurtenis per week. Op het moment van schrijven staat de teller alweer op 14 explosies en 26 andere calamiteiten, waaronder 13 branden en een beschieting.
Calamiteiten zijn zo – haast letterlijk – dagelijkse kost voor Mariëlle Foppen, manager gebiedsbeheer, en Dayal Oedit-Doebé, sinds 2025 gebiedsbeheerder calamiteiten bij Stadgenoot. Aan het eind van het gesprek met NUL20 zullen Foppen en Oedit-Doebé elkaar ook even veelbetekenend aankijken: dat valt mee, we zijn een uur lang niet gestoord!
Calamiteitenteam
Foppen bekent nog altijd “een beetje verslaafd” te zijn aan de AT5-app. “Die zijn er meestal snel bij.” Je zou kunnen zeggen dat de app voor haar dient als een soort politiescanner. Dat is een erfenis uit de tijd voor het handelingskader, toen corporaties bij een calamiteit zelden meteen werden ingelicht door een van de hulpdiensten. En de vergelijking is niet eens zo vergezocht: Stadgenoot heeft – van oudsher – een eigen 24-uurs meldkamer en inmiddels ook een calamiteitenteam. Bovendien: helemaal waterdicht is het handelingskader na anderhalf jaar nog niet. ”Het gaat veel beter, maar het gebeurt nog steeds weleens dat we niet gebeld worden”, zegt Foppen.
Dat is een van de dingen die ter sprake kwamen tijdens de eerste evaluatie van het handelingskader, eind 2025. “Je hebt te maken met wisselingen van personeel en dan kunnen dat soort dingen gebeuren”, zegt Lars Hartmans van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC). Verder waren er geen grote kwesties, aldus Hartmans, die de komende maanden weer een belrondje doet met alle partijen. “We hebben afgesproken dat we elkaar scherp houden."
Nazorg
"Mijn dag verloopt bijna nooit zoals ik vooraf had gepland”, zegt Oedit-Doebé, die verantwoordelijk is voor de nazorg bij calamiteiten. Zij checkt elke ochtend als eerste de groepsapp van het calamiteitenteam, dat uit 9 mensen bestaat en piketdiensten draait. Als er ‘s nachts iets is voorgevallen, heeft het team, herkenbaar aan fluorescerende vesten met Stadgenoot erop, ter plaatse al gesproken met bewoners en de bewoonbaarheid beoordeeld.
“Je moet je voorstellen, mensen staan daar ‘s nachts op straat, op blote voeten vaak, er zijn kinderen bij, geen medicatie, geen bril, huisdieren zijn zoek. Emoties horen daarbij"
De eerste hulp bij calamiteiten is, namens de verzekeraars, de eerste 24 uur in handen van Stichting Salvage. Daarna doet Stadgenoot wat mogelijk is en afgesproken in het handelingskader. (Bij zeer zware incidenten, zoals bij de explosie aan de Remijden in Osdorp, gaat GRIP 2 boven het handelingskader.) De corporatie biedt die steun zonder aanziens des persoons – daarvoor is het niet het moment (en bovendien is dan nog niet duidelijk hoe de vork in de steel zit).
Oedit-Doebé geeft altijd haar directe nummer aan de bewoners en is helder over wat ze wel en niet kan bieden. “En anders weet ik wel wie ik bij de gemeente moet hebben."
“Je moet je voorstellen, mensen staan daar ‘s nachts op straat, op blote voeten vaak, er zijn kinderen bij, geen medicatie, geen bril, huisdieren zijn zoek. Emoties horen daarbij."
Slechtnieuwsgesprekken
Die emoties kunnen “heel heftig” zijn, ook omdat Oedit-Doebé huurders – omwonenden en gedupeerden – geregeld moet teleurstellen: ze zullen uiteindelijk moeten terugkeren naar hun eigen woning en een andere, al dan niet tijdelijke woning zullen ze in principe zelf moeten regelen.
Voor zulke slechtnieuwsgesprekken is Oedit-Doebé getraind. “Ik krijg te maken met heel boze bewoners, verdriet, huilen, schreeuwen, ‘jij gaat straks terug naar je eigen huis’, ‘ik moet mijn kinderen hier naar school brengen’...
Het is misschien niet zo gek dat huurders dikwijls denken dat de corporatie wel even een andere woning zal regelen, maar in de praktijk is dat niet mogelijk. Ook niet bij meerdere incidenten op hetzelfde adres – vijf keer is al voorgekomen. “Dat huurders na een heftig incident liefst zouden verkassen, dat begrijp ik heel goed”, zegt Foppen, “dat zou ik zelf ook willen. Maar behalve dat dit oneerlijk is tegenover de vele woningzoekenden, verplaats je hiermee het probleem.”
“Dat huurders na een heftig incident liefst zouden verkassen, dat begrijp ik heel goed. Dat zou ik zelf ook willen"
En voor omwonenden zou een ander adres geen garantie zijn dat zich nooit meer een incident voordoet. Want, zoals gezegd, geweldsincidenten gebeuren overal in de stad en nemen in aantal toe. Zwaar vuurwerk is (te) makkelijk te verkrijgen.
Tegelijkertijd zal er alles aan om de veiligheid en leefbaarheid in de buurt te verbeteren, samen met gemeente, politie en de bewoners. Bewoners die gevoelens van onveiligheid blijven ervaren, krijgen het advies contact op te nemen met de GGD, Slachtofferhulp of het Buurtteam.
Corporaties controleren vaker op explosieven en illegaal vuurwerkGarageboxen en opslagruimten kunnen worden gebruikt voor het opslaan van illegaal vuurwerk en explosieven. Dat kan ernstige gevolgen hebben voor bewoners van nabijgelegen woningen. De Amsterdamse woningcorporaties willen daarom eerder kunnen signaleren of deze ruimten onveilig of illegaal worden gebruikt. Corporaties gaan daarom met de politie en de Ondermijningsbrigade vaker onaangekondigde controles uitvoeren. De Ondermijningsbrigade, een samenwerkingsverband van overheidsdiensten tegen georganiseerde criminaliteit, kan daarbij onder meer speurhonden inzetten. De controles vinden plaats in algemene ruimten van wooncomplexen en op locaties met garage- en opslagboxen. De corporaties doorzoeken zelf geen verhuurde boxen. Als een controle aanleiding geeft tot verdenking, bepalen de politie of de Ondermijningsbrigade welke vervolgstappen mogelijk en toegestaan zijn. |
Foppen en Oedit-Doebé begonnen beiden ooit als ‘medewerker Overlast’, en zijn na decennia aan de frontlinie niet voor een kleintje vervaard. Oedit-Doebé: “Ik neem het niet mee naar huis. Maar natuurlijk doet het wel iets met je.” Foppen, serieus, maar met een glimlach: “We hebben Dayal niet voor niets uitgekozen.”
Ze kunnen zich één “casus” herinneren waarin het wel uit de hand liep en beiden werden bedreigd. Foppen: “Dat is wel eng, als mensen roepen dat ze weten in wat voor auto je rijdt.”
In dergelijke gevallen neemt de juridische dienst het over en krijgt de huurder meteen een brief thuis: een eerste stap in het uitzettingsproces. De meesten binden dan wel in.
“Dat is wel eng, als mensen roepen dat ze weten in wat voor auto je rijdt"
Omdat de verruwing in de samenleving voorlopig doorzet, richt Stadgenoot de organisatie daar steeds meer op in. De aanstelling van Oedit-Doebé is daar een voorbeeld van, interne trainingen worden er op aangepast.
Ook proberen corporaties 'aan de voorkant’ calamiteiten te voorkomen. Zo gaan ze samen met de politie en de Ondermijningsbrigade nog harder op zoek naar de opslag van illegaal vuurwerk, explosieven en andere gevaarlijke of verboden middelen in garage- en opslagboxen (zie kader).
Stadgenoot roept op haar website bewoners al langer op verdachte situaties te melden. Helaas moet er daarvoor meestal iets gebeuren. “Na een explosie praten ze meer, horen we ook van wijkagenten”, zegt Foppen.
Inboedelverzekering
Wat het werk er niet makkelijker op maakt, is dat de verzekeraar van de inboedelverzekering tijdelijk vervangende woonruimte regelt, maar veel huurders geen inboedelverzekering hebben, ook al wijzen corporaties op het belang daarvan, te beginnen in de huurovereenkomst. Foppen: “De AFWC heeft de mogelijkheid onderzocht die verzekeringen collectief aan te bieden, maar voorlopig mogen we dat wettelijk niet.” Als mensen echt nergens terecht kunnen, probeert de corporatie uiteraard iets te regelen, al is het tijdelijk in een hotel.
Uiteindelijk ervaart Oedit-Doebé voornamelijk dankbaarheid van huurders. “In the heat of the moment wordt er van alles geroepen, en dat begrijp ik ook.” De nazorg kan wel anderhalf jaar duren. Oedit-Doebé: “Ik houd het contact warm, ook als mensen hun leven weer op de rit hebben. Dat hoort erbij, vind ik."
Naschrift
Tijdens het uitwerken van dit artikel vonden nog verscheidene explosies plaats in Amsterdam, waaronder drie bij woningen van Stadgenoot.