Overslaan en naar de inhoud gaan
Top
Steven van Weyenberg: “Dit jaar moeten we 7.500 nieuwe woningen in Amsterdam kunnen halen”

In 2025 kwamen er in Amsterdam iets meer dan 6.000 woningen bij en nog eens 666 flexwoningen. Dat zijn goede cijfers, na twee magere jaren, hoewel de Amsterdamse ambitie van 7.500 woningen niet is gehaald. NUL20 ging in gesprek met verantwoordelijk bouwwethouder Steven van Weyenberg. “Mijn advies aan de volgende coalitie geef meer aandacht aan de middengroepen.”

Tekst - auteur(s)
Joost Zonneveld

Van Weyenberg volgde in mei 2025 Reinier van Dantzig op en keert vanwege privéredenen hoe dan ook niet terug in het nieuwe Amsterdamse College van burgemeester en wethouders omdat hij in Den Haag woont en niet kan verhuizen. In 2025 is een stijgende lijn zichtbaar en zijn er meer woningen gebouwd dan de twee jaar daarvoor. En een aanzienlijk deel in het betaalbare segment. Van Weyenberg: “Zeker in dit dossier sta je altijd op de schouders van je voorgangers.” Tegelijkertijd is in een jaar tijd voor ‘meer dan tienduizend woningen’ aan investeringsbesluiten genomen, is een aantal doorbraken in vastgelopen projecten tot stand gekomen en ziet de wethouder nog betere bouwresultaten gloren dit jaar. “Maar er zullen voor de komende jaren moeilijke keuzes gemaakt moeten worden.”

Image
Steven van Weyenberg

Amsterdam realiseert meer woningen dan de vorige jaren, maar haalt de eigen doelstelling van 7.500 nieuwe woningen per jaar niet. Bent u tevreden?

“Wat we zien is dat het herstel echt is ingezet. Daar ben ik blij mee. Vorig jaar kreeg Amsterdam er ruim zesduizend permanente woningen en zeshonderdzesenzestig flexwoningen bij. Bij die laatste groep zit bijvoorbeeld een project als Brasa Village in Zuidoost. Dat zijn tijdelijke woningen die qua kwaliteit bijna zo goed zijn als permanente bouw en die er zeker vijftien jaar staan. Alles bij elkaar is het resultaat over 2025 niet slecht, ook als je het vergelijkt met andere gemeenten. Er is geen gemeente in Nederland die meer huizen bouwt dan Amsterdam.

Maar tevreden ben ik natuurlijk nooit helemaal. Want daarvoor is de woningnood te groot. De twee jaren hiervoor waren echt moeilijk door snel stijgende bouwkosten, inflatie en de oorlog in Oekraïne. Bovendien was er landelijk veel onzekerheid over beleid met Haagse discussies over wel of geen Wet betaalbare huur en vorig jaar kwam daar de discussie over huurbevriezingen nog eens tussendoor. Al die onzekerheden, dat doet iets met de partijen die de woningen in onze stad bouwen.

Voor dit jaar verwacht ik dat we de huidige doelstelling van 7.500 nieuwe woningen in Amsterdam kunnen halen. We hebben zo’n 16.000 woningen in de planvoorraad voor de korte termijn en 68.000 tot 2030. Nu gaan we die natuurlijk niet allemaal meteen realiseren, maar 7.500 is voor 2026 binnen handbereik.”

Wat maakt dat u zegt dat Amsterdam de dip te boven is? Hoge bouwkosten, netcongestie en de complexiteit van binnenstedelijke transformatie zijn een voortdurende uitdaging.

“Dat klopt, maar we werken er als gemeente en met onze bouwpartners in de stad ontzettend hard aan om die projecten los te krijgen. We zien dat heel veel partijen, zowel corporaties als private ontwikkelaars, echt meters willen maken. Als gemeente proberen wij daarbij te helpen met het uitgangspunt ‘gewoon goed’ (een handreiking om kwaliteit en haalbaarheid af te wegen, red), de transformatie-impuls die we ook dit jaar doorzetten en door tijdig te escaleren als projecten vast dreigen te lopen. De oplossing die we gevonden hebben door het ontwerp voor het Hamerkwartier in Amsterdam-Noord aan te passen is daar een voorbeeld van. Door de woningen iets verder van de Ketjen-fabriek te plaatsen, ontstaat er voldoende ruimte tussen de huizen en de fabriek, staakt Ketjen de procedure bij de Raad van State in en is de weg vrij voor de bouw van 6.000 woningen. Het gaat dus om specifieke oplossingen zoeken in projecten in combinatie met algemenere maatregelen. Daarnaast helpt het echt dat er meer duidelijkheid is in landelijk beleid, dat is belangrijk voor partijen die moeten investeren in die nieuwe woningen. Zij moeten weten waar ze aan toe zijn. En dan kan er altijd nog iets onverwachts in de buitenwereld gebeuren. Denk alleen al aan de onrust in het Midden-Oosten. Welk effect dat gaat hebben, weten we nu nog niet, maar vooralsnog zien wij een stijgende lijn in de bouwproductie in de stad.”

Maar dat gaat dan toch vooral om complexe transformatieprojecten?

“Het Strandeiland in IJburg is nog een gebied waar we nieuwe grond hebben. Maar je ziet inderdaad dat de transformatieprojecten waar kantoren of bedrijventerreinen worden omgezet, een steeds groter aandeel van de Amsterdamse woningbouw vormen. Het investeringsbesluit over het Holterbergdistrict in Zuidoost hoop ik in de komende weken definitief voor te leggen aan de gemeenteraad. Dat wordt een innovatieve gebiedsontwikkeling, want daar willen we niet alleen duizenden woningen toevoegen, maar ook bedrijvigheid behouden door deze te stapelen. Met dat soort projecten kunnen we wel echt een slag slaan. Naast het Hamerkwartier, is De Nieuwe Meer Oost als onderdeel van het Schinkelkwartier een groot project. En dan hopen we ook op niet al te lange termijn de transformatie van het Food center in West te starten. Dat zijn vooral herontwikkelingsprojecten en die zijn soms ingewikkeld. Maar als we daar een doorbraak creëren, dan kunnen we daar vaak ook echt meters maken.”

Vorig jaar werd 39 procent sociaal en 33 procent middensegment toegevoegd. Wat zijn de kansen om betaalbaarheid ook de komende jaren te garanderen?

“Je ziet dat het ons heel aardig lukt om de ambitie die we hebben als gemeente om die te laten vertalen in de woningbouwcijfers. Dat is 40-40-20 voor nieuwe gebieden en 30-40-30 bij alle transformatieprojecten. Maar naar de toekomst toe staan we wel voor fundamentele vragen. Je ziet dat het vereveningsfonds niet veel ruimte meer biedt voor verlieslatende projecten. De hamvraag is hoe je het verdienvermogen van de stad vergroot. Dat klinkt economisch, maar de kern is eigenlijk gewoon: hoe zorg je ervoor dat die projecten nog van de grond komen? Een van de knoppen om daar wat aan te doen is de programmering. Welke keuzes daarin gemaakt worden, laat ik over aan de campagnevoerende politici, maar daar zullen ze wel naar moeten kijken. Ergens moet iets veranderen om de huidige lijn ook in de toekomst voort te zetten, want anders is het geld er simpelweg niet om woningen van de grond te krijgen en daar is geen enkele woningzoekende mee geholpen.”

Welke andere knoppen zijn er om aan te draaien?

“Ik denk dat het soort woningen, dus de verhouding tussen sociaal, midden en vrije sector, wel een heel belangrijke knop is. Want als je verlieslatende stadsvernieuwingsprojecten wil blijven financieren, dan moet er geld bij. Een andere is de vraag of je een deel van de grondopbrengsten in het vereveningsfonds voor andere opgaven in de stad wil blijven gebruiken zoals we nu doen. Dat gaat momenteel om zo’n 12 miljoen per jaar. Dat is veel geld. Nu investeren we ‘ongelijk’ in buurten die dat nodig hebben. In de Wildemanbuurt in Nieuw-West en in K-Midden in Zuidoost. Die gebieden in de stad moeten we een nieuwe toekomst geven en daar is breed draagvlak voor in de gemeenteraad. Maar per project vraagt dat wel 10 miljoen van de gemeente. Als je die 12 miljoen voor andere opgaven in de stad gebruikt, dan kan je dat niet uitgeven aan vernieuwing van buurten.

En los daarvan moet je ergens middelen kunnen verdienen om die ongelijke investeringen te kunnen blijven betalen. Nu kan dat nog, maar in de komende jaren wordt dat wel echt een probleem, maar dat laat ik wel echt aan de nieuwe coalitie om daar keuzes in te maken.”

Vorig jaar steeg de bouw van middeldure huurwoningen. U heeft eerder aangegeven dat u zich wel zorgen maakt over de grootte daarvan. Waarom?

“We gaan voor 40 procent middensegment. Dat is een opgave op zich. En daar komt bij dat we die woningen 25 jaar in dat segment willen houden. Als je dat vergelijkt met andere steden, dan is Amsterdam daar echt heel ambitieus in. Die termijn van 25 jaar staat voor zover ik weet in Amsterdam niet ter discussie, maar het kost wel geld, omdat de eigenaren de woningen een kwart eeuw tegen een lagere prijs moeten verhuren, dan ze op de vrije markt zouden krijgen.

Daarnaast is de grootte van de woningen belangrijk, maar ook daar zitten kosten aan voor de gemeente. Wat we zien is dat veel woningen in het middensegment onder de 50 vierkante meter uitkomen. Voor gezinnen, een groep die we ook graag in de stad houden, is dat te klein. Soms lukt het dan om maatwerk te bieden. Neem de Sluisbuurt op het Zeeburgereiland. Wij hadden daar onverwacht ruimte om extra woningen toe te voegen. Toen hebben we er heel bewust voor gekozen om woningen in de vrije sector toe te voegen. En omdat die geld opleveren, konden we iets voor het middensegment doen. We hebben er toen voor gekozen om niet meer kleine woningen in het middensegment toe te voegen, maar de woningen wat ruimer te maken. Dat is goed voor gezinnen en ook om ervoor te zorgen dat huishoudens zich hopelijk wat langer binden aan een buurt. Tegelijkertijd is er in de stad ook juist veel behoefte aan kleine woningen.”

Zoals voor studenten?

“Ja, het is aan de nieuwe coalitie om daar afspraken over te maken maar wat ik wel echt constateerde was dat we moeite hadden om weer studentenwoningen te bouwen. Dat was extra urgent vanwege de recente uitponding van particuliere huurwoningen. Dat had echt effect op het aantal studentenkamers in de stad. We hebben nu zo’n 3000 studentenwoningen op stapel staan en we proberen de verhuur van tijdelijke complexen te verlengen. Als we het tekort op willen lossen, dan is dit echt nog maar een begin.

In Amsterdam vraagt iedere groep om ruimte, maar welke groepen mogen wat u betreft meer aandacht krijgen?

“Het is duidelijk dat we overal een tekort hebben. Maar ik vond inderdaad dat wij studenten expliciet weer een plek moesten geven in onze woningbouwplannen. Daarnaast, vind ik dat we huishoudens met kinderen ruimte moeten blijven bieden om in de stad te wonen. En, daarnaast, wat ik ook echt een probleem vind is dat we inmiddels met een toenemend gat te maken hebben tussen de gereguleerde sector en wat je nu in de vrije sector kunt huren of kopen. Heel veel Amsterdammers komen niet in aanmerking voor die gereguleerde sector. En dan zie je nu dat wat er nieuw wordt gebouwd vaak aan de dure kant is. Dus het wordt wel ‘middensegment plus’ met een huur tussen de 1.300 en 1.600 euro per maand of koopwoningen tussen de 4 en de 7 ton. Dat is een ontwikkeling waar ik wel meer aandacht voor willen in de woningbouw. Want voor twee samenwonende onderwijzers of politieagenten zijn dat behoorlijke prijzen. Zij komen niet in aanmerking voor de gereguleerde sector en zijn nu meteen aangewezen op de bovenkant van de markt. Mijn oproep aan de nieuwe coalitie zou zijn: kijk ook goed naar die groepen.”