Bij woningcorporaties wonen huishoudens het meest passend. Tot die conclusie komt stadsgeograaf Cody Hochstenbach in een recent onderzoek. Bij slechts zes procent van de corporatiehuurders is sprake van ruimtegebrek. Passendheid wordt door Hochstenbach afgezet tegen het aantal vierkante meters per persoon. Ik geniet van dit soort degelijke onderzoeken.
Maar wat voor beleid kan je daar nu aan verbinden? Hoe kan je vierkante meters eerlijker verdelen? Hochstenbach somt enkele sturende maatregelen op zoals beprijzing, woonruimteverdeling, woningdelen en kleiner bouwen. Het grootste probleem is natuurlijk dat een huishouden in de loop der jaren groeit of krimpt: er komen kinderen of gaan kinderen uit huis, ouders scheiden of vormen een samengesteld gezin, partner overlijdt en mantelzorger trekt in, enz. Helaas bestaan er geen ‘krimp en groei huizen’ waarvan het oppervlak meebeweegt met het aantal bewoners. En om een krimpend huishouden uit de woning te gooien, is niet-sociaal. Overigens vinden vooral rijke mensen het niet-sociaal als er in de sociale huursector te groot wordt gewoond. Dat vinden ze meestal niet van hun eigen overdadige vierkante meters.
Geleefde ervaring
Hochstenbach komt tot een genormeerd oppervlak per persoon. Voor eenpersoons-huishoudens is 40-80 m2 voldoende. Minder dan 40 m2 is dus te weinig. Voor mij sluit deze statische waarheid niet aan bij de werkelijkheid. Een jongere pleegt een moord voor een woning tot 40 m2. Een alleenstaande 55+er schiet je neer bij zo’n aanbod. Cijfers zijn dus altijd situationeel van waarde. Dat wordt ook door Hochstenbach gezien. Hij waarschuwt ervoor om wonen alleen als een efficiëntievraagstuk te zien. Wonen gaat niet alleen om het beter benutten van vierkante meters; wonen ziet hij ook als een ‘geleefde ervaring’.
Een jongere pleegt een moord voor een woning tot 40 m2. Een alleenstaande 55+er schiet je neer bij zo’n aanbod
Maar hoe kan je sturen op een ‘geleefde ervaring’? Dat gaat tegenwoordig gelukkig veel verder dan denken in vierkante meters. Het gaat dan bijvoorbeeld om het ontwerpen van gebouwen die de ontmoeting uitnodigen, om collectieve ruimten, om veiligheid, om voorzieningen of zelfbeheer. ‘Fysiek volgt sociaal’ is hier het leidende mantra. Hierover zien steeds meer publicaties het licht. Die gaan opvallend vaak over geclusterde woonvormen. Dat gaat niet zozeer over vierkante meters maar over de verschillende functies en schaalniveaus die passen bij verschillende doelgroepen en leefstijlen.
Golden ticket
Onze grote voorraad eengezinswoningen is daarbij een sta-in-de-weg. Eengezinswoningen nemen relatief veel ruimte in, staan geïsoleerd, zijn allemaal hetzelfde en zijn een ‘golden-ticket’ voor de mensen die er wonen (verhuizen doe je alleen als het niet anders kan). De laatste decennia van de vorige eeuw verschoof de aandacht van eengezinswoning naar de ‘levensloopbestendige woningen’. Het idee daarachter was sympathiek: je kan langer blijven wonen en hoeft dus ook minder snel te verhuizen naar een zorginstelling. Dat dergelijke woningen hogere bouwkosten hadden, werd voor lief genomen. Wat we langs deze twee paden in een halve eeuw bouwden, zorgt nu vooral voor stilstand in plaats van doorstroming. Misschien moeten we steeds meer woningen bouwen waarin je niet al te lang wilt wonen. Waarin bewoners steeds weer uitkijken naar een nieuwe stap in de wooncarrière. En dus ook weer plaats maken voor jongeren.
Montere veelvormigheid
Zoiets vraagt om anders denken. Het vraagt om anders beheren en bouwen. In het verleden zijn daarvoor ook ideeën ontwikkeld. In 1967 formuleert architect en hoogleraar bouwkunde N. John Habraken het woordbeeld van de "montere veelvormigheid". Hoe dat er in de praktijk er uit moet zien, laat hij aan "de architecten" over. Veel grote architecten hebben later die handschoen opgepakt. Met uitzondering van Frank Bijdendijk hebben corporaties hieraan beperkt hun denkkracht gespendeerd. De meeste vernieuwing zie je nu bij coöperaties.
In mijn hoofd is altijd één bijzondere ervaring blijven hangen. Voordat in Nieuw West een vierhoog flat werd gesloopt, werden tussen alle woningen deuren geplaatst. Zo ontstond één grote open verdieping voor een tijdelijk museum. Zo werden eenvormige, inflexibele woningplattegronden dankzij extra deuren ineens een walhalla voor multifunctioneel gebruik. Daardoor besefte ik dat ‘montere veelvuldigheid’ niet alleen werd tegengehouden door een statisch ontwerp maar misschien nog wel meer door de gebruiksregels die we eraan verbinden. In die tijd ontstond bij mij het idee van de wisselkamer: tussen twee (of meer) woningen bouw je een kamer die je voor tien jaar bij de ene of een andere woning trekt. Zo kan een woning meegroeien of meekrimpen. Helaas bleef het bij een idee.
Maar bij elk nieuw idee kom je vroeg of laat bij de vraag wat nu een redelijk woonoppervlak is. Dat is niet erg. Zolang het maar een hulpmiddel blijft om tot ‘montere veelvuldigheid’ te komen. Niet als een doel op zichzelf.
| Léon Bobbe is socioloog en volkshuisvester. Hij is onder meer commissaris bij Parteon en oud-bestuurder van Woonstichting Lieven de Key. Als één van de drie columnisten van NUL20 beschouwt hij iedere twee maanden een aspect van de volkshuisvesting, dat relevant is voor de Metropoolregio Amsterdam. Het trio vaste columnisten van NUL20 bestaat naast Bobbe uit Ruud Fiere en Kasper Baggerman. Alle columns van: Leon Bobbe |