Hoe verder na 'Werken aan de wijk?'

Reacties op negatief SCP-rapport over aanpak Vogelaarwijken
Hoe verder na 'Werken aan de wijk?'

Deze zomer kwam het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met een vernietigend oordeel over de aanpak van de Vogelaarwijken. Tenminste: voor degenen geen oog hebben voor de vele nuances in het rapport. De reactie van de Amsterdamse corporatiewereld: de wijkaanpak werkt wél, maar de efficiëntie kan inderdaad beter.

“Het is vechten met een beer”, zegt Jeroen Frissen, directeur Strategie & Beleid bij woningcorporatie Ymere. “Het zijn niet de eerste de besten die dit onderzoek hebben gedaan. Ik denk niet dat het zin heeft met het SCP in discussie te gaan over de onderzoeksmethode. Bovendien komt het SCP met beleidsaanbevelingen die hout snijden.” Directeur Hans van Harten van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties is laconieker: “Ach, de onderzoeken buitelen over elkaar heen. Uit ‘Wonen in Amsterdam’ blijkt juist dat er wel degelijk resultaat is.”
De hoofdconclusie van het eind juli verschenen rapport ‘Werken aan de wijk’ loog er niet om: de extra inspanningen die tussen 2008 en 2012 zijn gedaan om de veertig ‘Vogelaarwijken’ te helpen, hebben geen significante verbeteringen opgeleverd op het gebied van leefbaarheid, veiligheid en sociaal-economische positie van de bewoners. Sommige media suggereerden daarna dat de investeringen - een slordige 1 miljard euro, meest opgehoest door de corporatiesector zelf - daarmee weggegooid geld waren.

Gezellig op bezoek

Vanuit de corporatiesector kwamen er direct tegenwerpingen, die overigens ook als nuanceringen in het rapport staan: vier jaar is te kort om de resultaten te meten - het is immers een operatie van de lange adem - en ook in de buurten waarmee de Vogelaarwijken in het onderzoek worden vergeleken, is veel geïnvesteerd. Daarnaast zette de crisis de woningverkopen in de wijken en de sociaal-economische positie van de bewoners onder druk. “Ik denk dat het al heel wat is dat de leefbaarheid in deze wijken niet achteruit is gegaan in crisistijd. En we hebben hier geen toestanden als in de Franse banlieues en de Zweedse buitenwijken,” aldus Van Harten.
Volgens Van Harten zijn de verwachtingen van de wijkaanpak vaak te hooggespannen, bijvoorbeeld “dat mensen gezellig bij elkaar op bezoek gaan”. En een probleem als werkloosheid is niet op wijkniveau op te lossen.
In het SCP-onderzoek wordt nergens ingezoomd op afzonderlijke wijken of steden. Dat maakt zowel kritiek lastig als biedt het betrokkenen in de verschillende steden de mogelijkheid om - gesteund door ander onderzoek - te zeggen: ‘Ja, maar hier werkt het wel’.

Ruimer hek

Zowel Frissen als Van Harten zetten grote vraagtekens bij de manier waarop het rapport in de publiciteit is gebracht: verzekerd van alle aandacht in komkommertijd en met weinig nadruk op de nuanceringen. Het is koren op de molen van minister Blok en anderen die vinden dat de corporaties zich moeten beperken tot hun kerntaken: het bouwen en beheren van sociale huurwoningen.
“Daarmee zouden we het kind met het badwater weggooien”, aldus Frissen. Hij benadrukt dat begeleidende maatregelen en ‘onrendabele’ investeringen bij fysieke ingrepen vaak nodig blijven. “Je kunt een nauw hek zetten om je afwegingen: als de bouwkosten niet opwegen tegen de huuropbrengsten, doe je het niet. Maar je kunt het hek ook ruimer zetten: wat betekent het voor de werkgelegenheid, de inkomsten van winkeliers en de leefbaarheid?”
“Na het verontrustende rapport ‘Vertrouwen in de buurt’ van de VVD-er Pieter Winsemius uit 2005 werd leefbaarheid gezien als een verantwoordelijkheid van corporaties. Dat is nu niet meer zo. Maar corporaties hebben er wel nog steeds een belang in. Bij de tienduizend woningen die Ymere in Amsterdam-Noord  bezit, redden we het niet met alleen fysiek onderhoud en fysieke ingrepen. Als andere partijen zich willen ontfermen over wat er op de straten en pleinen gebeurt, is het wat ons betreft ook goed. Maar ook die hebben het moeilijk.”

10 voor MKBA

“We hebben in de krachtwijkenaanpak een schot hagel gelost, met een breed pakket aan maatregelen die niet allemaal even doeltreffend waren”, aldus Frissen. Als voorbeeld van minder doeltreffende interventies noemt hij de inspanningen op het gebied van talentontwikkeling uit de koker van Ymere. “Het gaat vaak over dat schip in Rotterdam, maar ik denk dat in de Nederlandse wijkaanpak in euro’s wel meerdere schepen zijn vergaan. Ook Ymere kende minder doeltreffende interventies, zoals het organiseren van schooljudo. Een mislukking kun je dat project niet noemen, als je die kinderen bezig hebt gezien. Maar het bracht niet de lange-termijneffecten waarop we hoopten. Daar moet je van leren. Daarom onderschrijven wij de beleidsmatige conclusie van het SCP-rapport dat we juist onder deze economische omstandigheden op zoek moeten naar de meest effectieve maatregelen.”
Frissen ziet in het SCP-rapport aanleiding om twee initiatieven uit de corporatiesector voor het voetlicht te halen: de website watwerktindewijk.nl en ‘10 voor MKBA’. Het eerste moet een soort ‘medicijnboek’ worden met ingrepen die bewezen effect hebben. “Corporaties geven daarin duidelijk aan wat het probleem in een wijk was, wat ze hebben gedaan en wat het resultaat was.”    
10 Voor MKBA (maatschappelijke kosten-baten-analyse) is een initiatief om de maatschappelijke opbrengsten van ingrepen te objectiveren en kwantificeren. Sommige zaken, zoals kwaliteit van leven en cultuur, zijn lastiger in geld uit te drukken, of te ‘monitariseren’, zoals onderzoekers zeggen. Maar iets als geluidsoverlast is van invloed op de huizenprijzen.
“Sceptici zijn bang voor bureaucratie als gevolg van de MKBA, maar om deze last en de kosten te beperken laten de tien aangesloten corporaties maar één MKBA voor één project per jaar uitvoeren”, aldus Frissen. “En het is een internationaal erkende, strenge methode.”


 

Trefwoorden: